Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.De verwijzing door de Hoge Raad
2.Het geding na verwijzing
3.De beoordeling
1.1. Uitgangspunten bij toezicht
2.Uitgangspunten bij de beoordeling van een verzoek tot verkorting looptijd
De looptijd van de schuldsaneringsregeling kan in beginsel worden verkort indien:
kan ook volgens het voorgestelde artikel 354a worden beëindigd.
De voortzetting van de schuldsaneringsregeling moet gerechtvaardigd zijn, aldus artikel 354a. Het is tenslotte geen strafregeling, maar een regeling mede ten behoeve van de schuldeisers, om alsnog zoveel mogelijk baten voor de boedel te verzamelen. Is de schuldenaar daartoe niet toe in staat, zonder dat dit hem is toe te rekenen, dan heeft het uitzitten van de wettelijke schuldsaneringstermijn geen zin en moet verlening van de schone lei eerder mogelijk zijn.
Is de schuldenaar daartoe aantoonbaar niet in staat, zonder dat dit hem is toe te rekenen, dan heeft het uitzitten van de wettelijke schuldsaneringstermijn geen zin en moet verlening van de schone lei eerder mogelijk zijn.
voor schuldsaneringsregelingen 2009 geeft aan dat de wettelijke termijn ‘onder andere’ kan worden verkort, indien de schuldenaar in een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement of voorafgaande surseance het meerdere boven het in de schuldsaneringsregeling geldende vrij te laten bedrag, aan de boedel heeft afgedragen. De wettelijke termijn kan in beginsel niet worden verkort (art.1.7 onder c): (i) indien de schuldenaar voorafgaand aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling langere tijd in een minnelijk traject of [p. 295] tijdens een moratorium heeft gespaard; of (ii) indien afloscapaciteit van de schuldenaar in de periode voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling – bijvoorbeeld door loonbeslag – voor de aflossing van schulden is aangewend. In de verschillende benaderingen in de rechtspraak tussen het al dan niet in aanmerking nemen van de periode waarin de schuldenaar ‘in het minnelijk traject’ heeft doorgebracht
“(…)
Evenmin bestaat een (rechts)regel waaruit volgt dat een schuldenaar in beginsel niet langer dan drie jaar in condities mag verkeren die op één lijn zijn te stellen met de WSNP”.
- de vraag of de saniet meer heeft gewerkt dat hem was opgelegd (36 uur per week) en of hij daarmee extra geld naar de boedel heeft doen vloeien;
- de vraag ofdoor toedoen van de saniet bijzondere baten in de boedel zijn gevloeid zoals het alsnog realiseren van een latente niet geformaliseerde smartengeldaanspraak;
- de omvang van de totale schuldenlast ten opzichte van de omvang van het door de schuldenaar gerealiseerde actief, alsook de herkomst van de betreffende schuldenlast (overwegend zakelijk of particuliere schulden);
- de vraag of er de verwachting gerechtvaardigd is dat er nog meer actief voor de boedel kan worden gegenereerd waaruit een hoger bedrag kan worden afgelost op de schuldenlast;
- de mate en de duur van de periode waarin de schuldenaar tijdens een faillissement en/of het schuldsaneringstraject zich heeft gehouden aan alle regels en de aanwijzingen van de curator en/of de bewindvoerder, waarbij dient te worden betrokken dat in de regel – anders dan in menige schuldsanering - boedelbijdragen in een faillissement uitsluitend of grotendeels aan boedelkosten opgaan en dus niet feitelijk ten goede komen aan de pre-insolventiecrediteuren;
- het feit dat bij voltooiing van de driejaarstermijn als zodanig zonder meer als beloning de schone lei wacht, ongeacht het uiteindelijke gespaarde saldo, mits overigens aan alle voorwaarden van de schuldsaneringsregeling is voldaan;
- alle overige omstandigheden van het geval,