Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende is eigenaar van een vakantiewoning waarvoor de heffingsambtenaar aanslagen zuiveringsheffing heeft opgelegd voor de jaren 2016 tot en met 2018. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die de aanslagen handhaafde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof.
Het geschil betrof de vraag of de vakantiewoning als woonruimte in de zin van de Waterschapswet kan worden aangemerkt en of de aanslagen terecht zijn opgelegd. Belanghebbende voerde aan dat zijn vakantiewoning geen woonruimte is volgens de Woningwet, dat hij er niet permanent mag wonen, dat sprake zou zijn van dubbele heffing en dat geheven zou moeten worden op basis van werkelijk gebruik.
Het hof oordeelde dat de Waterschapswet een eigen definitie van woonruimte hanteert die afwijkt van de Woningwet en dat het niet relevant is of permanent bewoning is toegestaan. Het hof volgde de visie van de advocaat-generaal dat voor heffingsplichtigheid feitelijke beschikkingsmacht over de ruimte voldoende is. Er is geen sprake van dubbele heffing omdat voor elke woning apart wordt geheven. De heffing op basis van werkelijk gebruik kan niet door de rechter worden afgedwongen maar behoort tot de bevoegdheid van de wetgever.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees het hof een vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen zuiveringsheffing worden bevestigd.