Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vof] V.O.F.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [vennoot 1] ,
3. [vennoot 2] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 6399544 CV EXPL 17-7828)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 7 juni 2018;
- de door [appellante] genomen memorie van grieven;
- de door [de vof] genomen “memorie van antwoord, tevens voorwaardelijke incidentele vordering”;
- de door [appellante] genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de door [appellante] genomen akte;
- de door [de vof] genomen antwoordakte.
3.De beoordeling
- [appellante] is geboren op [geboortedatum] 1992.
- [appellante] is op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst van 3 januari 2014 met ingang van 1 januari 2014 bij [de vof] in dienst is getreden als ‘medewerkster uitgifte’, tegen een uurloon van € 6,54 bruto, exclusief 8% vakantiebijslag. De arbeidsovereenkomst heeft als titel ‘nulurencontract’. De werknemer wordt daarin aangeduid als ‘oproepkracht’. Artikel 2 van Pro de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:
- [de vof] heeft over de periode tot en met 2015 het loon contant aan [appellante] uitbetaald. Vanaf januari 2016 is [de vof] het loon (volgens [appellante] een deel van het loon) per bankoverschrijving aan [appellante] gaan voldoen.
- In september 2016 heeft de administrateur/boekhouder van [de vof] (dhr. [de administrateur/boekhouder van de vof] , hierna: de administrateur) op verzoek van de vennoten van [de vof] voor [appellante] een concept arbeidsovereenkomst ‘voor 36 uur per week’ opgesteld. Deze concept-arbeidsovereenkomst is niet door [appellante] ondertekend. De partijen verschillen van mening over de vraag aan wie dat te wijten is.
- [appellante] heeft als productie 2 bij het inleidende verzoekschrift een aantal stukken overgelegd, waaronder haar loonstroken over de maanden april 2016 tot en met mei 2017. De loonstrook over september 2016 ontbreekt in het dossier van het hof, maar uit de stellingen van partijen volgt dat op die loonstrook, evenals op de loonstroken van de daaraan voorafgaande maanden, 20 gewerkte uren stonden vermeld. [de vof] heeft als productie 15 bij het in eerste aanleg ingediende verweerschrift de loonstroken over januari tot en met juni 2017 overgelegd. Uit dit alles volgt het volgende overzicht van op de loonstroken vermelde gewerkte uren:
- Het laatstelijk (in juni 2017) door [appellante] verdiende uurloon bedroeg € 9,43 bruto.
- Op 25 juni 2017 heeft [appellante] voor het laatst werkzaamheden voor [de vof] verricht. Zij heeft die dag huilend de zaak verlaten.
- Op 26 juni 2017 heeft de partner van [appellante] (dhr. [de partner van appellante] , hierna: [de partner van appellante] ) [de vof] bezocht (volgens [appellante] om de hierna te noemen brief van 26 juni 2017 af te leveren). In [de vof] was op dat moment [vennoot 1] aanwezig. Tussen [de partner van appellante] en [vennoot 1] is toen een woordenwisseling ontstaan.
- [appellante] heeft advies ingewonnen bij het Juridisch Loket. Een medewerker van dat Juridisch Loket heeft bij die gelegenheid een brief van 26 juni 2017 op naam van [appellante] , gericht aan [vennoot 1] , opgesteld. In die brief, die door [de vof] is ontvangen, staat onder meer het volgende:
- Bij brief van 1 augustus 2017 heeft de toenmalig advocaat van [appellante] aan [de vof] meegedeeld dat [appellante] geen ontslag heeft genomen, dat de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze is beëindigd, dat zij dus nog steeds bij [de vof] in dienst is en dat [appellante] zich beschikbaar houdt voor het verrichten van werkzaamheden. Daarnaast is in de brief aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon vanaf 25 juni 2017, uitbetaling van achterstallig loon, uitbetaling van verlofdagen en uitbetaling van vakantiebijslag.
- Vervolgens hebben de administrateur van [de vof] en de toenmalig advocaat van [appellante] nog met elkaar gecorrespondeerd.
- I. betaling van het bruto-equivalent van € 308,52 netto ter zake het niet doorbetaalde loon over de periode 27 juni 2017 tot en met 5 juli 2017 waarin zij vakantie stelt te hebben genoten;
- II. verstrekking van een schriftelijke en onderbouwde opgave van de door haar opgebouwde en niet genoten vakantiedagen over 2014, 2015, 2016 en 2017, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag indien die opgave niet binnen vijf dagen na betekening van het vonnis door [de vof] wordt verstrekt;
- III. doorbetaling van haar loon van € 1.250,00 bruto zijnde € 1.150,00 netto per maand vanaf 25 juni 2017, althans 1 augustus 2017, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het geheel vanaf iedere maand dat het loon is vervallen;
- IV. uitbetaling van het bruto equivalent van € 245,74 netto over 2014 en het bruto equivalent van € 361,92 netto over 2015;
- Aan vordering I heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij sinds 1 januari 2017 voor 32 uur per week in dienst is van [de vof] , dat zij van 27 juni 2017 tot en met 5 juli 2017 vakantie heeft gehad en dat [de vof] over deze periode ten onrechte het salaris niet heeft doorbetaald.
- Aan vordering II heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat [de vof] de genoemde opgave nimmer heeft verstrekt en dat zij aan de hand van die opgave wil vaststellen in hoeverre zij nog recht heeft op uitbetaling van vakantiedagen over de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017.
- Aan vordering III heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij sinds 1 januari 2017 voor 32 uur per week in dienst is van [de vof] , dat [vennoot 1] op 25 juni 2017 tegen [appellante] heeft gezegd ‘dat hij [appellante] dan helemaal niet meer zou oproepen en dat ze dan geen cent meer zou ontvangen’, en dat [de vof] het loon van [appellante] vervolgens ten onrechte met ingang van 25 juni 2017 onbetaald heeft gelaten.
- Aan vordering IV heeft [appellante] in punt 12 van de conclusie van repliek ten grondslag gelegd dat [de vof] de genoemde bedragen nog moet betalen als salaris over de periodes dat [appellante] in 2014 en 2015 vakantie had maar geen salaris heeft ontvangen. In de toelichting op grief V betitelt [appellante] deze bedragen echter als vakantiegeld dat over 2014 en 2015 nog uitbetaald moet worden.
- [de vof] en [appellante] zijn op 1 januari 2014 een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (‘nulurencontract’) voor onbepaalde tijd aangegaan. [appellante] heeft krachtens dit contract als bezorgster voor [de vof] arbeid verricht op oproepbasis. Dat tussen partijen nadien (met ingang van 1 oktober 2016) een arbeidsovereenkomst voor 36 uur per week tot stand gekomen is, is niet komen vast te staan (rov. 4.1).
- [appellante] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd bij de brief van 26 juni 2017. Voor zover in de brief geen opzegging besloten ligt, bevat de brief een aanbod van [appellante] tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, welk aanbod door [vennoot 1] bij brief van 17 juli 2017 namens [de vof] is aanvaard (rov. 4.2).
- De arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (‘nulurencontract’) is dus op 26 juni 2017 geëindigd. De vorderingen I en III van [appellante] moeten daarom worden afgewezen (rov. 4.3).
- Vordering II moet worden afgewezen omdat niet komen vast te staan dat er vanaf 2014 nog opgebouwde en niet genoten vakantiedagen zijn (rov. 4.4).
- [de vof] draagt de bewijslast van haar stelling dat zij de vakantiebijslag over 2014 ten bedrage van € 245,74 netto en over 2015 ten bedrage van € 361,92 netto contant aan [appellante] heeft voldaan. [de vof] heeft bewezen dat deze contante betalingen van vakantiebijslag door [appellante] zijn ontvangen. Vordering IV moet dus worden afgewezen (rov. 4.5.1).
- [de vof] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de door haar ingestelde eis in voorwaardelijke reconventie, omdat zij die eis in strijd met artikel 137 Rv Pro pas bij conclusie van dupliek heeft ingesteld (rov. 4.6).
- Omdat [appellante] in conventie in het ongelijk is gesteld en [de vof] in reconventie niet-ontvankelijk is, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd (rov. 4.7).
- de vorderingen van [appellante] in conventie afgewezen;
- [de vof] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen in reconventie;
- de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
- dat [appellante] de arbeidsovereenkomst bij de brief van 26 juni 2017 heeft opgezegd;
- dat, voor zover in de brief geen opzegging besloten ligt, de brief een aanbod van [appellante] bevat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en dat [vennoot 1] dat aanbod bij brief van 17 juli 2017 namens [de vof] heeft aanvaard.
- de vorderingen van [appellante] zijn afgewezen;
- de proceskosten in conventie en in reconventie zijn gecompenseerd tussen de partijen.
4.De uitspraak
- de vorderingen van [appellante] geheel zijn afgewezen;
- de proceskosten in conventie en in reconventie zijn gecompenseerd tussen de partijen;
- veroordeelt [de vof] om aan [appellante] haar loon van € 1.250,-- bruto per maand door te betalen met ingang van 26 juni 2017, te vermeerderen met een tot 10% gematigde wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het geheel vanaf iedere maand dat het loon is vervallen;
- veroordeelt [de vof] in de proceskosten van het geding in conventie bij de kantonrechter, en begroot die proceskosten aan de zijde van [appellante] tot op heden op nihil voor dagvaardingskosten (aangezien [appellante] de procedure is begonnen met een verzoekschrift), op € 78,-- aan griffierecht en op € 600,-- aan salaris gemachtigde;
- wijst het in conventie meer of anders gevorderde af;
- veroordeelt [de vof] in de proceskosten van het geding in reconventie bij de kantonrechter, en begroot die proceskosten aan de zijde van [appellante] tot op heden op nihil;