Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Maastricht, waarin verdachte was veroordeeld voor twee diefstallen gepleegd op 17 en 30 september 2018. De politierechter legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal vorderde bevestiging van het vonnis, maar met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. Het hof volgde dit en vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging. Het hof motiveerde dat de feiten ernstig zijn, gezien het gebrek aan respect voor eigendom en de financiële motieven van de verdachte, en dat dergelijke diefstallen ook overlast veroorzaken voor de gedupeerden.
Verder nam het hof het recidivekarakter mee, omdat de verdachte na de feiten tweemaal onherroepelijk voor soortgelijke delicten was veroordeeld. Dit leidde tot het oordeel dat een voorwaardelijke straf niet passend is en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is voor normhandhaving.
Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en baseerde zijn beslissing op de artikelen 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. De straf werd uiteindelijk vastgesteld op twee weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf.