Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/351207/KG ZA 19-606)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep, met daarin één grief tegen het bestreden vonnis;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- i) Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 18 december 2014 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij beschikking van 17 december 2015 heeft dit hof deze beschikking bekrachtigd. De echtscheidingsbeschikking is vervolgens op 21 april 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
- ii) De woning van partijen (hierna: de woning) is op 18 juni 1999 gekocht voor een bedrag van fl. 345.000,--. Van dit bedrag is een bedrag van fl. 119.972,-- door de vrouw gefourneerd vanuit haar privévermogen. Dit door de vrouw betaalde bedrag komt overeen met – afgerond – 32% van de aankoopprijs.
- iii) De woning is verkocht en op 2 juli 2018 geleverd aan een derde. De gerealiseerde overwaarde staat in depot bij de notaris.
- iv) De man heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt jegens de vrouw, waarin onder meer de verdeling van de overwaarde van de woning onderwerp van geschil was. In het vonnis in de bodemzaak van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 14 november 2018 (zaaknummer/ rolnummer C/01/327364/HA ZA 17-743) is over de verdeling van de overwaarde – voor zover thans van belang – het volgende overwogen:
conventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
reconventievordert de vrouw, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
vrouwzich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de vrouw haar in de onderhavige kort geding procedure ingenomen standpunt over wat onder overwaarde dient te worden verstaan niet in de bodemprocedure aan de orde heeft gesteld en dat daarom tussen partijen heeft te gelden hetgeen bij het - in kracht van gewijsde gegane vonnis van 14 november 2018 - is beslist. Met deze grief acht het hof het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.
manis het eens met de voorzieningenrechter, waar die in rov. 5.3 heeft overwogen dat het op de weg van de vrouw had gelegen om haar vordering over hoe de overwaarde verdeeld moest worden in de bodemprocedure aan de orde te stellen of tegen het vonnis van 14 november 2018 in hoger beroep had moeten gaan.
hofoverweegt als volgt.
vanwegehaar privé-inleg recht heeft op (afgerond) 32 % van de overwaarde, waarna het restant bij helfte dient te worden verdeeld. De rechtbank heeft aldus met de privé-inleg van de vrouw (die 32% van de aankoopwaarde van de woning bedroeg) rekening gehouden, in die zin dat de vrouw eerst 32% van de overwaarde ontvangt, vooraleer het restant tussen partijen bij helfte wordt verdeeld. De privé-inleg van de vrouw is aldus verdisconteerd in het aan de vrouw toekomende bedrag van 32 % van de overwaarde. Het door de rechtbank gebruikte begrip overwaarde moet dan ook zo worden uitgelegd dat daaronder dient te worden verstaan de verkoopopbrengst van de woning na aftrek van de hypothecaire schuld en de verkoopkosten (het gaat immers om de verdeling van het depot bij de notaris) en
nietdat van die verkoopopbrengst ook nog de privé-inleg van de vrouw moet worden afgetrokken alvorens van overwaarde sprake is. Met de privé-inleg van de vrouw heeft de rechtbank immers al rekening gehouden door te bepalen dat de vrouw – vanwege die privé-inleg - eerst 32% van de overwaarde ontvangt.