Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[naam],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
De vordering van de faillissementsaanvrager van [VOF] en haar vennoten is in het kader van het ingediende verzet van [vennoot 2] integraal voldaan. Op de crediteurenlijst staan twee betwiste vorderingen, te weten die van [cediteur 1] ten bedrage van € 1.895,56 en [cediteur 2] ten bedrage van € 1.783,92. Beide vorderingen worden – aldus de curator - op goede gronden betwist.
De te verwachten inkomsten uit onderhoudswerkzaamheden voor vastgoedeigenaren (zie productie 10 voornoemd) bieden daarnaast voldoende uitzicht voor het nakomen van de diverse betalingsregelingen, waarbij tevens meetelt dat de BTW als vervat in het salaris van de curator naar verwachting kan worden verrekend met de fiscale schulden.
In het kader van het privé faillissement moet [vennoot 1] , gezien de verstrekte informatie ter zake vaste lasten en gezien het inkomen van zijn echtgenote – naast wat zal resteren van zijn eigen inkomsten - eveneens in staat worden geacht door te gaan met het verrichten van de noodzakelijke betalingen. De vordering van de aanvrager is tenslotte – zeker gezien de oorspronkelijke hoofdsom van € 2.252,59 – meer dan ruim voldaan en de aanvrager verzet zich niet tegen vernietiging.
Gezien de met de aanvrager gemaakte afspraken alsook gezien het feit dat los daarvan het faillissement van [VOF] in eerste aanleg terecht lijkt te zijn uitgesproken, zal [VOF] worden veroordeeld in de kosten van de curator zoals door deze opgegeven en als in het dictum op te nemen.
In het faillissement van [vennoot 1] zullen - gezien het verzoek van de curator in dat faillissement - geen kosten worden vastgesteld.