Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen is verleend. De kinderen verblijven sinds september 2019 in een gezinshuis vanwege ernstige problemen in de ouderschapsrelatie en een loyaliteitsconflict dat hun ontwikkeling bedreigt.
De moeder verzocht het hof om de machtiging te vernietigen en de kinderen bij haar te plaatsen, dan wel het co-ouderschap te laten voortduren of de termijn van uithuisplaatsing te beperken. De raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instelling en de vader stelden zich op het standpunt dat voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de stabiliteit en het welzijn van de kinderen.
Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing zijn vervuld en dat de situatie van loyaliteitsproblematiek en ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is. Het is van belang dat de kinderen rust krijgen en beschermd worden tegen spanningen tussen de ouders. Daarom wordt het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De kinderen maken positieve, maar nog prille, ontwikkelingen door in het gezinshuis onder begeleiding van hulpverlening. Het hof benadrukt dat het te vroeg is voor terugplaatsing of herstart van het co-ouderschap. De ouders moeten de ingezette hulpverlening voortzetten om een stabiel fundament te creëren voor de kinderen.