ECLI:NL:GHSHE:2020:1566
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep fiscale fraude na buitengerechtelijke afdoening
De verdachte werd door de rechtbank vrijgesproken van medeplegen van gewoontewitwassen en/of witwassen over de periode van 14 december 2001 tot en met 30 november 2010. Het Openbaar Ministerie stelde hiertegen hoger beroep in. Tijdens de procedure in hoger beroep werd een buitengerechtelijke afdoening bereikt tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte, waardoor de grieven van het Openbaar Ministerie niet langer werden gehandhaafd.
Hoewel het hoger beroep formeel niet tijdig werd ingetrokken, stelde de advocaat-generaal dat er geen belang was bij een inhoudelijke behandeling van de zaak. De raadsvrouw van de verdachte sloot zich hierbij aan. Het hof besloot daarom op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De procedure kende een regiezitting en getuigenverhoren, maar het hof kwam niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de feiten. Hiermee werd de zaak definitief beëindigd zonder inhoudelijke uitspraak over de tenlastelegging.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens een buitengerechtelijke afdoening.