De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2015, die sinds 2018 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder betwistte de noodzaak van de verlenging en stelde dat zij inmiddels in staat is de kinderen een veilige opvoeding te bieden.
De GI voerde aan dat de kinderen sinds het begin van de ondertoezichtstelling zijn blootgesteld aan een onveilige opvoedomgeving, gekenmerkt door gebrek aan structuur, verzorging en de gezondheidsproblemen van de moeder. Ondanks hulpverlening en voorwaarden voor terugkeer heeft de moeder niet voldoende meegewerkt. De kinderen vertonen zorgelijk gedrag en zijn sinds januari 2020 geplaatst in een perspectief biedend gezinshuis.
Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin is vervallen omdat deze niet binnen drie maanden is gebruikt, waardoor het hoger beroep van de moeder hiertegen niet-ontvankelijk is verklaard. De machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt bekrachtigd. Het hof benadrukt het belang van onderzoek naar de kindeigen problematiek en de noodzaak dat de moeder haar problematiek aanpakt en langdurig stabiel wordt om terugkeer mogelijk te maken.
De beschikking van 22 januari 2020 wordt bekrachtigd en het beroep tegen de beschikking van 3 januari 2020 wordt niet-ontvankelijk verklaard. De kinderen blijven voorlopig in het gezinshuis, waar zij passende zorg en therapie ontvangen.