ECLI:NL:GHSHE:2020:169

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2020
Publicatiedatum
21 januari 2020
Zaaknummer
200.229.096_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis in bouwgeschil over facturen en incassokosten

In deze civiele zaak gaat het om een hoger beroep in een bouwgeschil tussen appellant en geïntimeerde. Appellant vordert betaling van meerdere facturen en incassokosten, terwijl geïntimeerde zich hiertegen verweert met onderbouwing van geleverde materialen en werkzaamheden.

Het hof heeft appellant meerdere malen in de gelegenheid gesteld om zijn standpunten nader toe te lichten, maar appellant heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Geïntimeerde heeft gedetailleerde producties overlegd met facturen en omschrijvingen van werkzaamheden, die door appellant niet zijn betwist.

Op basis van de niet bestreden stellingen van geïntimeerde acht het hof de vorderingen voor de tweede termijn en het meerwerk gegrond en wijst deze toe. De vordering tot onverschuldigde betaling wordt afgewezen. De buitengerechtelijke incassokosten zijn eveneens terecht gedeeltelijk toegewezen door de kantonrechter.

Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen voor facturen en incassokosten toe, terwijl de onverschuldigde betaling wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team handelsrecht
zaaknummer 200.229.096/01
arrest van 21 januari 2020
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.F.H. Spoormaker te Zoetermeer,
als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 30 januari 2018 en 29 oktober 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, onder zaaknummer/rolnummer 5071890 CV EXPL 16-3692 tussen partijen gewezen vonnis van 21 december 2016.

8.Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 29 oktober 2019.
Het hof heeft een datum voor arrest bepaald.

9.De verdere beoordeling

9.1.
Bij tussenarrest van 29 oktober 2019 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over bepaalde standpunten en producties (tussenarrest, 6.11). [appellant] heeft geen akte genomen. Zijn uitstelverzoek is afgewezen. De zaak is weer op de rol gekomen voor arrest.
9.2.
Het hof moet nog vorderingen A, B, D en E beoordelen (tussenarrest, 6.11 en 6.21; het hof verbetert de kennelijke schrijffout in 6.11 slotzin: het oordeel over vorderingen A, B en E is aangehouden en vordering C is in hoger beroep niet aan de orde).
9.3.
Vorderingen A, B, D en E betreffen het volgende (tussenarrest, 6.3, 6.4 en 6.6):
A. € 6.050,00 ter zake de factuur van 31 oktober 2015 ter zake de tweede termijn;
B. € 2.086,65 ter zake de factuur van 7 december 2015 ter zake meerwerk;
D. € 700,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
E. € 1.496,00 als onverschuldigde betaling.
9.4.
[geïntimeerde] heeft de vorderingen A en B en zijn verweer tegen vordering E nader toegelicht als volgt (tussenarrest, 6.10):
Vordering A (2e termijn) (memorie van antwoord, 16-18):
- materiaal voor staalconstructie (factuur, productie 3 bij antwoord);
- pvc doorvoerbochten (factuur, productie 4 bij antwoord);
- kozijnen (factuur, productie 5 bij antwoord);
- materiaal en loodgieterswerkzaamheden (factuur, productie 6 bij antwoord);
- werkzaamheden in oktober 2015: lijmwerk begane grond en eerste verdieping, plaatsen balklaag en Fins vuren op de eerste en tweede zolder, plaatsen staalconstructie, plaatsen 5 raamkozijnen en 5 deurkozijnen, loodgieter voorbereidingen voor toiletgroep.
Vordering B (meerwerk) (memorie van antwoord, 43-47):
- boorwerkzaamheden voor de meterkast (factuur, productie 7 bij antwoord);
- stijgleiding wc boven plaatsen, aanleggen water/riool, aanleg warmwaterleiding, werkzaamheden meterkast, watertappunt meterkast, aanleggen waterleiding wastafel (memorie van antwoord, 45; factuur, productie 8);
- levering vurenhoutplanken meterkast (factuur, productie 9 bij antwoord).
Verweer tegen vordering E (1e termijn, onverschuldigde betaling) (memorie van antwoord, 11-15):
- levering diverse ytongblokken, 80 houten balken, 120 m2 Fins vurenhout (ongeveer € 7.000,00, zie facturen leveranciers, producties 1 en 2):
- start stel- en lijmwerkzaamheden;
- 16 manuren per dag op 29 september 2015 en 2, 3 en 4 oktober 2015 (meet en stelwerk profielen eerste laag Ytong in de specie op de vloer metselen, lijmwerk, steigerwerk).
9.5.
[appellant] heeft deze standpunten en producties van [geïntimeerde] niet bestreden, ofschoon [appellant] daartoe in de gelegenheid is gesteld.
9.6.
Het moet bij deze stand van zaken ervoor worden gehouden dat deze standpunten van [geïntimeerde] juist zijn. Het hof gaat er bij gebreke van nadere gegevens van uit dat de door [geïntimeerde] omschreven werkzaamheden en materialen voldoende zijn om de gefactureerde bedragen te rechtvaardigen. Het voorgaande betekent dat vorderingen A en B (in zoverre) gegrond zijn en terecht (gedeeltelijk) door de kantonrechter zijn toegewezen en dat het verweer van [geïntimeerde] tegen vordering E slaagt. Grieven 1 tot en met 4 falen ook in zoverre.
9.7.
Grief 6 betreft de buitengerechtelijke kosten (vordering D) en de proceskosten. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten op goede gronden gedeeltelijk heeft toegewezen. [appellant] is als de in het ongelijk gestelde partij terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. Grief 6 faalt.
9.8.
De conclusie is dat de grieven falen. Het vonnis moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

10.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 313,00 aan griffierecht en op € 2.782,00 aan salaris advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2020.
griffier rolraadsheer