In deze zaak staat de uithuisplaatsing van een minderjarige centraal, waarbij de moeder in hoger beroep ging tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 november 2019. De moeder betoogde dat de uithuisplaatsing voorbarig was en dat zij onvoldoende gelegenheid had gekregen om aan te tonen dat zij voor haar kind kon zorgen.
De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming voerden aan dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was vanwege de onstabiele situatie van de moeder, die sinds januari 2020 geen contact meer had met de minderjarige en als vermist werd opgegeven. De moeder had geen vaste woon- of verblijfplaats en ontving geen uitkering, waardoor de problematiek onveranderd bleef.
Het hof oordeelde dat de wettelijke vereisten voor de machtiging tot uithuisplaatsing waren vervuld. Gezien de acute dreiging tijdens de zwangerschap en de onstabiele situatie van de moeder was het belang van de minderjarige gediend met de uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en wees het meer of anders verzochte af.