Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Coöperatie Maestricht Professionals U.A. h.o.d.n. P3 ruimte aan mensen,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4089248 \ CV EXPL 15-4049)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep (en de publicatie in de Staatscourant betreffende een uitgebracht openbaar exploot);
- de memorie van grieven met producties 50 t/m 56;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met akte eiswijziging;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- het schriftelijk pleidooi. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities overgelegd, waarin zij over en weer ook een reactie hebben opgenomen op de concept pleitnota van de wederpartij. [geïntimeerde] heeft daarbij ook producties overgelegd (nrs. 8 en 9).
3.De beoordeling
- een bedrag van € 15.000,- en € 1.000,- ter zake (een deel van) de op grond van de franchiseovereenkomst verschuldigde fees en contractuele rente;
- een bedrag van € 8.000,- en € 500,- ter zake (een deel van) de op grond van de geldleningsovereenkomst verschuldigde aflossing en contractuele rente;
- een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 500,-,
- i) een verklaring voor recht dat P3 toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar als franchisegever rustende verplichtingen;
- ii) ontbinding van de franchiseovereenkomst;
- iii) een verklaring voor recht dat de curator door het niet nakomen van de franchiseovereenkomst aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade;
- iv) veroordeling van de curator tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade, op te maken bij staat.
- een bedrag van € 9.000,- en € 500,- ter zake (een deel van) de op grond van de franchiseovereenkomst verschuldigde fees en contractuele rente;
- een bedrag van € 15.000,- en € 500,- ter zake (een deel van) de op grond van de geldleningsovereenkomst verschuldigde aflossing en contractuele rente,
- vernietiging van het bestreden vonnis;
- het toewijzen van zijn bij memorie van grieven gewijzigde vorderingen en de daarbij ingestelde incidentele vordering;
- het alsnog volledig afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] ;
- het veroordelen van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan de curator van wat hij eventueel ter voldoening aan het bestreden vonnis heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente,
- de onjuiste voorstelling van zaken bij het sluiten van de franchiseovereenkomst (de dwaling als zodanig);
- het causaal verband tussen (de inhoud van) die overeenkomst en die onjuiste voorstelling;
- de omstandigheid dat P3 een onjuiste inlichting heeft gedaan waaraan de dwaling te wijten is.
‘waarin de begrote inkomsten en uitgaven en de ontwikkeling in de tijd van het vermogen, liquiditeit etc. op inzichtelijke wijze wordt voorgesteld’. Het hof constateert ook dat het overgelegde rekenmodel dat P3 aan [geïntimeerde] heeft verstrekt, cijfermateriaal bevat dat de strekking heeft van een prognose van de omzet, die een willekeurige franchisenemer respectievelijk [geïntimeerde] (na het invullen van enkele gegevens in het rekenvoorbeeld) zou kunnen behalen met de door hem of haar te exploiteren onderneming (zie hierboven 3.1 onder d en e). De curator heeft tijdens de comparitie van 15 februari 2017 in eerste aanleg ook toegelicht dat het bedrag van € 80.000,- uit het rekenmodel volgt uit de rekensom op pagina 3 van de inleidende dagvaarding. Aldaar (op de pagina die met 3 is genummerd) heeft de curator (samengevat) gesteld dat uitgangspunt van ‘de begroting’ is dat elke franchisenemer:
- 200 dagen werkbare dagen per jaar heeft;
- daarvan een aantal dagen trainingen van P3 volgt om te worden opgeleid;
- dan ruim 160 dagen per jaar heeft om acquisitie te kunnen doen en minimaal 36 trainingsdagen kan verkopen voor minimaal € 2.200,- per dag,
- het feit dat P3 een nieuwe franchiseorganisatie was die pas in december 2011 was opgericht, en P3 nog geen gevestigde naam was;
- het feit dat alle franchisenemers, waaronder [geïntimeerde] , geen ervaring hadden in de branche van mental coaching, terwijl [bestuurder 1 van P3] en [bestuurder 2 van P3] ervaren trainers waren;
- het feit dat alle franchisenemers, waaronder [geïntimeerde] , nog opgeleid en gecertificeerd moesten worden in het eerste jaar voordat zij zelfstandig aan het werk konden gaan;
- het feit dat uit de omzetgegevens van P3 Professionals B.V. over 2010 en 2011 een terugloop in de omzet bleek.
- [geïntimeerde] slechts € 300,- omzet behaald; de door [geïntimeerde] behaalde omzet bleef ver achter bij de voor hem geprognosticeerde omzet van € 88.000,-;
- ook voor alle andere franchisenemers geldt dat zij de geprognosticeerde omzet niet hebben behaald en daar ook niet bij in de buurt zijn gekomen; de meeste franchisenemers hebben nul euro omzet behaald in het eerste jaar.
gelijkis aan het bedrag dat [geïntimeerde] op grond van de franchiseovereenkomst aan P3 heeft betaald. Dat bedrag is volgens de eigen stellingen van de curator € 17.094,50 (inclusief btw) (zie inleidende dagvaarding, p. 4) (weliswaar beloopt dat bedrag volgens de hierboven in 3.1 vastgestelde betalingen (in ieder geval) € 16.220,50 (inclusief btw), maar volgens de curator heeft [geïntimeerde] op 23 juli 2012 ook nog een bedrag van € 874,- betaald). Gelet op een en ander gaat het hof ervan uit dat de curator met zijn subsidiaire vordering een bedrag van € 17.094,50 vordert als vergoeding van de waarde van de aan [geïntimeerde] geleverde prestaties. Dat is echter meer dan het bedrag van
op grond van de franchiseovereenkomstverrichte prestaties over en weer terugbetaald moeten worden dan wel ongedaan moeten worden gemaakt. Voor zover de curator in plaats van ongedaanmaking van de door P3 verrichte prestaties een vergoeding van de waarde van die prestaties vordert, moet het dus gaan om prestaties die P3 op grond van de franchiseovereenkomst heeft verricht. Bij de door de curator gestelde indirecte prestaties gaat het kennelijk echter niet om prestaties die P3 op grond van de met [geïntimeerde] gesloten franchiseovereenkomst heeft verricht. Dat dit anders is, heeft de curator in ieder geval niet (voldoende onderbouwd) gesteld. Dit brengt al mee dat de curator van [geïntimeerde] geen vergoeding kan vorderen van de waarde van de indirecte prestaties.
verplicht zich de lening aan te wenden ter financiering van bestanddelen die behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen en die gedurende de looptijd van de lening daartoe zullen behoren’.
‘de financiering van bestanddelen die behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen’, zoals de aankoop van een auto, telecommunicatie, reclamemateriaal etc. wezenlijk anders is dan het betalen van de overeengekomen franchisefee etc. Volgens de curator kan artikel 2.1 daarom niet worden uitgelegd in de door [geïntimeerde] gestelde zin. De curator heeft verder nog aangevoerd dat [geïntimeerde] ook niet heeft onderbouwd dat hij de lening heeft gebruikt voor het betalen van de op grond van de franchiseovereenkomst verschuldigde fee e.d., en dat hij dit ook betwist.
4.De uitspraak
- de veroordeling van de curator in de proceskosten van het principaal hoger beroep (vermeerderd met rente), en;
- de veroordeling van [geintimeerde in 200.219.300_01] tot terugbetaling van wat de curator heeft betaald ter voldoening aan de in het bestreden vonnis uitgesproken proceskostenveroordeling in conventie (vermeerderd met rente);