ECLI:NL:GHSHE:2020:1819

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 juni 2020
Publicatiedatum
16 juni 2020
Zaaknummer
20-001451-18
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvWet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis medeplegen voorbereidingshandelingen Opiumwet met bepaling gijzeling

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 11 juni 2020 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018. Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet door tussen 25 augustus en 11 december 2015 zes keer grote hoeveelheden chemicaliën te vervoeren en voorhanden te hebben.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep verklaarde verdachte dat hij €250 per transport ontving, een hoger bedrag dan in eerste aanleg. Het hof baseerde zich op deze verklaring en de overige bewijsmiddelen om het wederrechtelijk verkregen voordeel op €1.500 te schatten. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar paste de bewezenverklaring aan conform het arrest in de hoofdzaak.

Daarnaast vulde het hof de beslissing aan met de bepaling van de duur van de gijzeling die maximaal kan worden gevorderd op grond van de gewijzigde wetgeving. Voor elke volle €25 van het opgelegde bedrag wordt één dag gijzeling gerekend, met een maximum van drie jaar. In deze zaak stelde het hof de gijzeling vast op 60 dagen.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij het vonnis van de rechtbank werd bevestigd en aangevuld met de duur van de gijzeling.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor medeplegen voorbereidingshandelingen Opiumwet en stelt de duur van de gijzeling op 60 dagen vast.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001451-18 OWV
Uitspraak : 11 juni 2020
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993349-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de veroordeelde is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen wederrechtelijk verkregen voordeel is, nu in de hoofdzaak met betrekking tot het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde vrijspraak is bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met dien verstande dat het hof de beslissing aanvult met de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, alsmede met de navolgende overweging.
Overweging
Bewezenverklaring hoofdzaak
De rechtbank heeft op pagina 1 en 2 van het beroepen vonnis opgenomen voor welk feit veroordeelde is veroordeeld in de hoofdzaak. Het hof is in het arrest in de hoofdzaak van 11 juni 2020 (parketnummer 20-001417-18) echter tot een andere bewezenverklaring gekomen. Het hof heeft het onder feit 1 ten laste gelegde bewezenverklaard. Veroordeelde heeft zich – kort gezegd – schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet door in de periode van 25 augustus 2015 tot en met 11 december 2015 zes keer grote hoeveelheden chemicaliën te vervoeren en voorhanden te hebben. Het hof vervangt daarom de weergave van de bewezenverklaring in het beroepen vonnis door voormelde bewezenverklaring van het hof.
Verklaring verdachte in hoger beroep
Ter terechtzitting van 18 mei 2020 heeft veroordeelde verklaard € 250,00 per transport te ontvangen. Dit in tegenstelling tot hetgeen hij in eerste aanleg verklaarde, te weten dat hij
€ 100,00 à € 150,00 per transport ontving. Het hof heeft derhalve – naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen – de beslissing mede gebaseerd op de voornoemde verklaring van verdachte in hoger beroep.
Gijzeling
De rechtbank heeft het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 1.500,00 en heeft aan de veroordeelde de verplichting opgelegd om dat bedrag te betalen aan de Staat.
Het hof neemt deze beslissingen over, maar vult deze aan met de bepaling van de duur van de gijzeling. Immers, per 1 januari 2020 is de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82) in werking getreden. Op grond van het thans geldende artikel 36e lid 11 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt voor elke volle € 25,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaar.
Het hof zal de totale duur van de gijzeling bepalen op 60 (zestig) dagen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, maar vult deze als volgt aan:
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 60 (zestig) dagen.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. J. Nederlof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,
en op 11 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.