Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Standpunten van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
www.hogeraad.nl).
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De inspecteur van de Belastingdienst trok het hoger beroep bij brief van 22 februari 2019 in, wat het hof op 8 april 2019 bevestigde aan belanghebbende.
Belanghebbende had op 26 maart 2019 een verweerschrift ingediend en verzocht op 9 april 2019 om vergoeding van de proceskosten die daarmee gemoeid waren. Het hof stelde vast dat dit verzoek binnen de wettelijke termijn van zes weken na bekendmaking van de intrekking was ingediend.
Op grond van artikel 8:118, lid 1, Awb kan het bestuursorgaan bij intrekking van het hoger beroep worden veroordeeld in de kosten van de wederpartij. Het hof bepaalde de proceskostenvergoeding op €525, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, en veroordeelde de inspecteur tot betaling hiervan.
De uitspraak werd gedaan zonder mondelinge behandeling, aangezien de inspecteur geen gebruik maakte van zijn recht om te worden gehoord. De beslissing werd op 19 juni 2020 uitgesproken en schriftelijk aan partijen verzonden.
Uitkomst: De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van €525 aan proceskosten aan belanghebbende.