Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het gezag over haar minderjarige kind beëindigde. Het kind is sinds december 2017 uit huis geplaatst en verblijft in een pleeggezin onder toezicht van de GI. De moeder betwist de beëindiging van het gezag en stelt dat zij bereid is het kind duurzaam in het pleeggezin te laten opgroeien en dat de ondertoezichtstelling een fuik is geworden richting gezagsbeëindiging.
Het hof overweegt dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. Ondanks intensieve hulpverlening en begeleiding in een moeder-kindhuis, is gebleken dat zij onvoldoende pedagogische vaardigheden bezit en niet in staat is een veilig en pedagogisch verantwoord klimaat te bieden. De hulpverlening heeft weinig resultaat gehad en de verwachting van verbetering is minimaal.
Het perspectief van het kind is duidelijk: zij groeit op in het pleeggezin waar zij veiligheid en stabiliteit ervaart. Het hof ziet geen mogelijkheden om het gezag bij de moeder te laten voortbestaan, omdat een stabiele situatie met goede samenwerking tussen moeder, pleeggezin en GI ontbreekt. De omgang met de moeder is ruim een jaar geleden gestopt en pogingen tot herstel verlopen moeizaam.
De moeder wil feitelijk betrokken blijven, maar het gezag kan niet worden gehandhaafd. Het hof bekrachtigt de beschikking tot gezagsbeëindiging en wijst het verzoek om aanhouding af, omdat het belang van het kind voorop staat en verdere onzekerheid schadelijk is. De GI wordt geadviseerd om de moeder regelmatig per e-mail te informeren over het welzijn van het kind.