Partijen zijn gehuwd geweest en hebben drie minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding heeft de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder vastgesteld, maar het verzoek van de moeder om het gezag exclusief aan haar toe te kennen, afgewezen.
De moeder is in hoger beroep gekomen en verzoekt het hof het gezag uitsluitend aan haar toe te wijzen, omdat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem raken tussen de ouders. De vader verzet zich niet tegen dit verzoek en erkent zijn beperkte rol in het leven van de kinderen.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:251a BW het gezag aan één ouder kan worden toegekend indien het in het belang van het kind is en er geen verbetering te verwachten is in de samenwerking tussen ouders. Gezien de stroeve communicatie, de feitelijke situatie en de instemming van de vader, acht het hof het noodzakelijk het gezag aan de moeder toe te kennen.
Het hof vernietigt daarom het eerdere vonnis voor zover het gezag betreft en wijst het gezag over de drie minderjarige kinderen toe aan de moeder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt geregistreerd in het centraal gezagsregister.