ECLI:NL:GHSHE:2020:1958

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juni 2020
Publicatiedatum
29 juni 2020
Zaaknummer
200.270.149_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251 BWArt. 1:251a lid 1 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag naar uitsluitend gezag moeder

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben drie minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding heeft de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder vastgesteld, maar het verzoek van de moeder om het gezag exclusief aan haar toe te kennen, afgewezen.

De moeder is in hoger beroep gekomen en verzoekt het hof het gezag uitsluitend aan haar toe te wijzen, omdat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem raken tussen de ouders. De vader verzet zich niet tegen dit verzoek en erkent zijn beperkte rol in het leven van de kinderen.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:251a BW het gezag aan één ouder kan worden toegekend indien het in het belang van het kind is en er geen verbetering te verwachten is in de samenwerking tussen ouders. Gezien de stroeve communicatie, de feitelijke situatie en de instemming van de vader, acht het hof het noodzakelijk het gezag aan de moeder toe te kennen.

Het hof vernietigt daarom het eerdere vonnis voor zover het gezag betreft en wijst het gezag over de drie minderjarige kinderen toe aan de moeder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt geregistreerd in het centraal gezagsregister.

Uitkomst: Het gezag over de drie minderjarige kinderen wordt uitsluitend aan de moeder toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 25 juni 2020
Zaaknummer: 200.270.149/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/344087 / FA RK 19-1111
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.W.F. van Wijk,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de vader
.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 5 september 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 december 2019, heeft de moeder het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen uitsluitend ten aanzien van het gezag en te bepalen dat het verzoek van de moeder om het gezag te wijzigen, in die zin dat het gezag over de minderjarige kinderen van partijen uitsluitend aan haar toekomt alsnog wordt toegewezen.
2.2.
Bij referteverklaring, ingekomen ter griffie op 12 december 2019, heeft de vader verklaard zich niet te verzetten tegen het verzoek van de moeder en geen verweer te zullen voeren.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft, in overleg met partijen, geen doorgang gevonden.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 augustus 2019;
- het V8-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 8 april 2020.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen zijn op 20 december 2010 met elkaar gehuwd.
Uit dit huwelijk zijn geboren:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder zal zijn. Verder is, voor zover thans van belang, het verzoek van de moeder, om te bepalen dat het gezag over de kinderen na de echtscheiding bij haar rust, afgewezen.
3.3.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
De moeder voert - kort samengevat - aan dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen een korte periode voldoende verbetering zal komen dan wel dat een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Partijen achten het in het belang van de kinderen dat de vader zijn rol als vader op afstand zal vervullen gezien de feitelijke afwezigheid van de vader in het leven van de kinderen nu en in de nabije toekomst, het feit dat partijen niet op één lijn zitten qua invulling van de opvoeding en de stroeve communicatie en de samenwerking tussen partijen.
De vader stemt er derhalve bewust mee in dat de beslissingen ten aanzien van belangrijke aangelegenheden in het leven van de kinderen in de toekomst door de moeder zullen worden genomen. Bovendien is, nadat het ouderschapsplan is opgesteld, door zowel Veilig Thuis en Centrum Jeugd en Gezin uitgebreid gesproken over het welzijn van de kinderen en de beperkte rol van de vader in het leven van de kinderen.
3.5.
De vader verzet zich niet tegen het verzoek van de moeder.
3.6.
Het hof overweegt het volgende.
3.6.1.
Ingevolge artikel 1:251 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk uitoefenen.
Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.6.2.
De moeder en de vader zijn het er onderling over eens dat de wijziging van het gezamenlijk gezag naar de situatie waarin de moeder alleen het gezag uitoefent rust en veiligheid brengt voor de kinderen. Deze wijziging is het meest passend bij de huidige gezinssituatie waarbij de moeder in feite alle beslissingen ten aanzien van de kinderen alleen neemt en zij de vader op de hoogte houdt. De zeer beperkte rol die de vader, mede door zijn beroep, thans speelt in het leven van de kinderen zal in de nabije toekomst niet veranderen. Daarbij komt dat partijen erkennen dat zij niet op één lijn zitten wat betreft de opvoeding van de kinderen en er sprake is van een stroeve communicatie. Tot slot heeft de vader uitdrukkelijk ingestemd met zijn rol als vader op afstand, welke tevens uitgebreid is besproken met hulpverleners die, in verband met spanningen tussen de ouders, betrokken waren bij het gezin.
3.6.3.
Het hof is gelet op al het voorgaande van oordeel dat een wijziging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
3.7.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen doch uitsluitend voor zover het betreft het ouderlijk gezag en zal het verzoek van de moeder om haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag over de voornoemde kinderen alsnog worden toegewezen.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie
’s-Hertogenbosch van 5 september 2019, doch uitsluitend voor zover de rechtbank het verzoek van de moeder om haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen van partijen heeft afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat het ouderlijk gezag over:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ;
aan de moeder alleen toekomt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 25 juni 2020, uitgesproken in het openbaar door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van de griffier.