Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer: 7659298 / 19-1526)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak vorderde een advocatenkantoor betaling van een factuur van €3.025,00 plus buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente van een cliënt. De kantonrechter wees de vordering af en verklaarde het beroep op verrekening van de cliënt gegrond, omdat deze stelde dat een betaling via zijn advocaat was gedaan ter borgstelling in een Belgische strafzaak.
In hoger beroep oordeelt het gerechtshof dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van art. 18 EEX Pro II-Vo en bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is. Het hof stelt vast dat het advocatenkantoor het beroep op verrekening gemotiveerd betwist en dat de cliënt onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat er nog een bedrag resteerde voor verrekening.
Daarom faalt het beroep op verrekening. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de cliënt tot betaling van het volledige gevorderde bedrag van €3.564,82, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 maart 2019. Tevens wordt de cliënt veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep, die aan de zijde van het advocatenkantoor worden vastgesteld op respectievelijk €799,01 en €1.601,06.
De overige grieven van het advocatenkantoor behoeven geen bespreking wegens gebrek aan belang. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof veroordeelt de gedaagde tot betaling van €3.564,82 plus wettelijke rente en proceskosten.