Van de nagezonden stukken maakt deel uit een meer gespecificeerde opgave van
de vordering van de gemeente. Daaruit blijkt dat de vordering uit vier deelvordering bestaat,
namelijk een vordering van € 6.613,47 met ontstaansdatum 24 november 2015, een
vordering van € 907,90 met ontstaansdatum 14 april 2016. een vordering van € 3.319,32 met
ontstaansdatum 15 augustus 2016 en een vorderingen van € 560,00 met ontstaansdatum met
9 februari 2017. Verder is er een tweede beslissing van de afdeling bestuursrecht van deze
rechtbank van 22 september 2017 overgelegd. Daaruit blijkt dat van verzoeker ook
verleende bijstand wordt teruggevorderd in verband met het schenden van de
inlichtingenplicht en - naar de rechtbank begrijpt - wederom in verband met de door
verzoeker opgerichte hennepkwekerij. De beschikkingen van de gemeente zijn kennelijk op
11 april 2016 genomen. Het beroep tegen de daarop gevolgde beschikkingen op bezwaar is
door de rechtbank ongegrond verklaard. Hoewel de in de beslissingen van de rechtbank
vermelde bedragen niet overeenstemmen met de door de gemeente thans ingediende
vorderingen, moet de rechtbank er - bij gebreke van andere informatie - vanuit gaan dat de
vorderingen per november 2015 en april 2016 wel hun oorsprong vinden in de
beschikkingen van de gemeente die in onderwerp waren van de beslissingen van de
rechtbank. Kennelijk is tegen beide beslissingen hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad
van Beroep, maar die procedure is kennelijk nog niet afgerond. Bij die stand van zaken moet
worden uitgegaan van de beslissingen van de rechtbank. Wat de achtergrond is van de
vorderingen per augustus 2016 en februari 2017 blijkt uit de overgelegde stukken niet en is
ook anderszins niet toegelicht.”