De zaak betreft het hoger beroep van ouders tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die een machtiging tot uithuisplaatsing van hun drie minderjarige kinderen heeft verleend. De kinderen vertonen ernstige ontwikkelingsachterstanden op sociaal-emotioneel, taal- en motorisch gebied en zijn verwaarloosd. De ouders werken niet mee aan hulpverlening en houden de gezinsvoogd buiten de deur.
De GI (gecertificeerde instelling) heeft de kinderen sinds mei 2019 onder toezicht gesteld en hen in april 2020 uit huis geplaatst bij een 24-uurs zorginstelling. De ouders betwisten de noodzaak van de uithuisplaatsing en voeren aan dat de kinderen goed functioneren op school en dat de GI onvoldoende eigen onderzoek heeft gedaan.
Het hof stelt vast dat de gezinssituatie zeer zorgelijk is, met onderstimulatie, verwaarlozing, gebrek aan medische zorg en ernstige ontwikkelingsachterstanden. De ouders weigeren medewerking en communicatie met de GI, waardoor de situatie niet verbetert. De uithuisplaatsing is noodzakelijk voor het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen. Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het beroep af.