Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummers 6568019 CV EXPL 18-91 en C/02/344381 / HA ZA 18-293)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met een eiswijziging en met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de brief van 17 juli 2019 van mr. De Wit aan de griffier van dit hof met bijlagen;
- het schriftelijke pleidooi, in het kader waarvan beide partijen een pleitnota (bevattend uitlatingen in eerste en in tweede termijn) hebben overgelegd;
- de brief van 1 juli 2020 van mr. De Wit aan de griffier van dit hof met producties.
3.De beoordeling
d) In 1991 of 1992 heeft [appellante] een gedeelte, groot ongeveer 9 bij 9 meter, van perceel [sectieletter+sectienummer 3] van [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] in gebruik gekregen en ingericht als voortuin van het bijgebouw. Tussen [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] en [appellante] is op enig moment een geschil ontstaan over de aard van hun rechtsverhouding. Bij vonnis in kort geding van 8 juli 1998, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] als gedaagde, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant het bestaan van een huurovereenkomst tussen [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] en [appellante] met betrekking tot het door [appellante] in gebruik genomen gedeelte van perceel [sectieletter+sectienummer 3] aangenomen en is de vordering van [appellante] tot het ongestoord gebruik van het gehuurde toegewezen. Per 1 maart 2013 is de huurovereenkomst tussen [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] en [appellante] door tussenkomst van de kantonrechter geëindigd.
- te verklaren voor recht dat een erfdienstbaarheid van weg bestaat ten gunste van [appellante] , althans
- het onderhavige pad (de oprit, hof) aan te wijzen als noodweg ten gunste van [appellante] ,
met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de proceskosten van beide instanties.
3.4.3. Met haar grieven 1-3 voert [appellante] aan:
(1) dat de rechtbank ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken dat de oprit ook door de rechtsvoorgangers van [appellante] al in bezit was genomen en werd gebruikt om toegang te krijgen tot het bijgebouw (grieven 1 en 2), en
(2) dat de rechtbank ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken dat de met [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] gesloten huurovereenkomst betrekking had op een deel van de achtertuin, maar niet op de oprit (grieven 1 en 3).
Wil het beroep op artikel 3:105 BW Pro slagen, dient vast komen te staan dat [appellante] gedurende zekere tijd (twintig jaren), maar in elk geval op een zeker moment (het moment van de voltooiing van de extinctieve verjaring), het bezit heeft gehad van de gestelde erfdienstbaarheid.
De rechtbank heeft in de rov. 3.4. en 3.5. overwogen aan welke vereisten moet worden voldaan voor een geslaagd beroep op de verkrijging door verjaring naar (nieuw) BW, met name waar het betreft het vereiste bezit van de erfdienstbaarheid. Tegen deze overwegingen zijn - terecht - geen grieven aangevoerd. Hetzelfde geldt voor rov. 3.6., waarin de rechtbank heeft overwogen dat op [appellante] de plicht rust om alle feiten te stellen die nodig zijn voor een geslaagd beroep op artikel 3:105 BW Pro.
Het hof overweegt in dit verband nog dat [appellante] heeft gesteld (pv cvp p. 2, mvg 3.) dat zij niet alleen de ‘voortuin’ op perceel [sectieletter+sectienummer 3] van [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] had gehuurd, maar ook een deel van diens perceel [sectieletter+sectienummer 2] , waarop door haar parkeerplaatsen ten behoeve van de bewoners van het bijgebouw waren aangelegd. Volgens [appellante] is dit alles gebeurd in goed overleg met [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] . Gelet hierop moet er des te meer van uit worden gegaan dat het gebruik van de oprit om naar de parkeerplaatsen en vervolgens naar het bijgebouw te gaan in de ogen van [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] heeft berust op, of in elk geval nauw heeft samengehangen met, de bestaande huurovereenkomst.
heeft geen feiten gesteld die het hof tot een ander oordeel leiden. Evenmin heeft [appellante] op dit punt een voldoende concreet bewijsaanbod gedaan.
- dat het perceel van [appellante] direct aan de [de straat] is gelegen, die toegankelijk is voor auto’s en waaraan ook auto’s kunnen worden geparkeerd;
- dat zich op het perceel van [appellante] , rechts van de woning (bezien vanuit de [de straat] ), een doorgang van ongeveer een meter breed bevindt, waardoor te voet door de achtertuin de (achter)deur in het bijgebouw kan worden bereikt;
- dat daarom niet is gebleken dat [appellante] is aangewezen op het perceel van [geintimeerden c.s.] om een behoorlijke toegang, ook met de auto, tot de openbare weg te hebben, zodat van een situatie als bedoeld in artikel 5:57 lid 1 BW Pro geen sprake is.
Verder rechtvaardigt het enkele feit dat het bijgebouw in de tuin niet met de auto kan worden bereikt, niet de aanwijzing van een noodweg. Daarbij weegt het hof mee dat, zoals [geintimeerden c.s.] onvoldoende weersproken hebben aangevoerd, [appellante] het bijgebouw niet (langer) als zelfstandige woonruimte mag verhuren, dat het bijgebouw zelfs niet (langer) mag worden bewoond, en dat daarin ook geen bedrijf mag worden gevestigd.
Deze kosten aan de zijde van [geintimeerden c.s.] zullen worden vastgesteld op € 324,- aan griffierecht en € 2.148,- aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x € 1.074,-, tarief II).
De door [geintimeerden c.s.] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op na te melden wijze worden toegewezen.
4.4. De uitspraak
bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening.