In deze civiele zaak gaat het om het geschil tussen ouders over het hoofdverblijf van hun minderjarige kind, geboren in 2016. De rechtbank had eerder bepaald dat het kind het hoofdverblijf bij de vader heeft, met een zorgregeling waarbij de moeder drie van de vier weekenden contact heeft. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen en verzocht het hoofdverblijf bij haar te plaatsen en een onderhoudsbijdrage vast te stellen.
Het hof heeft de standpunten van beide ouders en de Raad voor de Kinderbescherming gehoord en de processtukken bestudeerd. De moeder stelde dat er een eerdere overeenkomst was dat het kind bij haar zou verblijven en dat zij beter beschikbaar is voor de verzorging. De vader stelde dat het kind in zijn omgeving is geworteld, hij flexibel werkt en een netwerk heeft om opvang te bieden.
Het hof oordeelt dat het belang van het kind voorop staat en dat een gelijkwaardige ouderrol belangrijk is, maar dat dit niet per se een 50/50 verdeling van zorg betekent. Gezien de woonafstand en de beschikbaarheid van de vader, acht het hof het hoofdverblijf bij de vader het meest wenselijk. De moeder wordt echter geacht op gelijkwaardig niveau betrokken te blijven. Het hof wijst het verzoek tot kinderalimentatie af omdat het hoofdverblijf bij de vader is.
Tot slot beveelt het hof dat de ouders zich wenden tot jeugdzorg voor een indicatie en hulpaanbod ouderschapsreorganisatie, omdat zij nog niet zelfstandig hun nieuwe situatie kunnen dragen. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.