In deze zaak staat de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die deze maatregelen verlengde tot 24 januari 2021. De moeder stelt dat zij en de vader in staat zijn om voor de minderjarige te zorgen en dat de bezoekregeling goed verloopt, ondanks financiële en praktische beperkingen.
De gecertificeerde instelling (GI) voert aan dat de bezoekregeling niet goed wordt nageleefd en dat de moeder onvoldoende pedagogisch inzicht heeft vanwege een verstandelijke beperking en bijkomende problematiek. De moeder toont weinig initiatief en zelfinzicht tijdens bezoeken, en het contact met de minderjarige is beperkt. De pleegmoeder bevestigt dat het goed gaat met de minderjarige, maar laat de plaatsing en zorgvraag over aan het hof.
Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld. De moeder kan de basale zorg niet adequaat inschatten en handelen in het belang van de minderjarige. Ook de verblijfstatus en opvoedingscapaciteiten van de vader zijn onzeker. Daarom wordt de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en wordt het hoger beroep afgewezen.