De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 420 microgram per liter uitgeademde lucht, ruim boven de wettelijke limiet van 220 microgram. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd wegens onvoldoende motivering en deed opnieuw recht.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 28 februari 2018 te Roermond als bestuurder van een personenauto had gereden met een te hoog alcoholgehalte. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. De strafbaarheid van het feit en van de verdachte werd bevestigd.
De strafoplegging bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor vier maanden. Het hof motiveerde deze straf door de ernst van het feit en de herhaalde verkeersdelicten van de verdachte, waarbij het belang van de verkeersveiligheid zwaarder woog dan het persoonlijke belang van de verdachte bij het behoud van zijn rijbevoegdheid.
De verdachte had aangevoerd dat hij zijn rijbewijs nodig had voor familiebezoek en mogelijk werk, maar dit werd door het hof verworpen. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 30 juli 2020.