Deze zaak betreft een geschil tussen ouders over het aanvragen van een Hongaars paspoort voor hun minderjarige dochter en de contactregeling tussen vader en kind. De moeder heeft in hoger beroep verzocht om vervangende toestemming voor het aanvragen van het paspoort, nadat de rechtbank dit had afgewezen. Tevens is er een geschil over de omgangsregeling.
Het hof oordeelt dat het voor de identiteit en afkomst van de minderjarige van belang is dat zij een Hongaars paspoort kan krijgen, naast haar Nederlandse paspoort. De vrees van de vader dat de moeder met het paspoort zou emigreren zonder zijn toestemming wordt door het hof niet voldoende gegrond geacht, mede omdat de moeder heeft verklaard dit niet te zullen doen zonder toestemming.
Ten aanzien van de contactregeling stelt het hof vast dat de raad voor de kinderbescherming een advies heeft uitgebracht dat ouders met spoed hulp moeten aanvaarden om het contact te herstellen. Omdat dit advies niet volledig is opgevolgd, is een beschermingsonderzoek gestart. Het hof acht het niet passend om nu een voorlopige omgangsregeling op te leggen en vertrouwt op het beschermingsonderzoek en het hulptraject.
Het hof vernietigt het deel van de beschikking van de rechtbank dat de aanvraag van het Hongaars paspoort afwees en verleent vervangende toestemming aan de moeder. De overige onderdelen van de beschikking worden bekrachtigd. De belangen van de minderjarige en de ouders, met name de vader, worden aldus voldoende gewaarborgd.