ECLI:NL:GHSHE:2020:2545

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 augustus 2020
Publicatiedatum
7 augustus 2020
Zaaknummer
20-001683-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep valsheid in geschrift met toewijzing beperkte schadevergoeding

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor valsheid in geschrift, waarbij het hof het vonnis van de politierechter bevestigde, met uitzondering van de beslissing over de schadevergoeding aan de benadeelde partij. De verdachte was vrijgesproken van diefstal met een valse sleutel en veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, vervangbaar door 40 dagen hechtenis.

De benadeelde partij vorderde in eerste aanleg een schadevergoeding van €6.682 aan materiële en €500 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De politierechter verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk. Het hof vernietigde dit deel van het vonnis en wees een schadevergoeding toe van €1.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juni 2016 tot aan de dag van volledige voldoening.

De vordering werd beperkt omdat een deel van de schade al was terugbetaald door de verdachte en onvoldoende bewijs bestond dat overige pintransacties rechtstreeks aan het handelen van de verdachte konden worden toegerekend. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op, met gijzeling tot maximaal twintig dagen als dwangmiddel bij niet-betaling, zonder dat dit de verplichting tot schadevergoeding opheft.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor valsheid in geschrift en opgelegde schadevergoeding van €1.000 met wettelijke rente en gijzeling als dwangmiddel.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001683-19
Uitspraak : 6 augustus 2020
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 28 mei 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-252175-18 tegen:

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van feit 1 vrijgesproken en ter zake van feit 2 ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren te vervangen door 40 dagen hechtenis. De verdachte is vrijgesproken van de aan haar onder feit 1 ten laste gelegde ‘diefstal door middel van een valse sleutel’.
Voorts is de benadeelde partij bij vonnis van beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis wordt bevestigd met uitzondering van beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Deze vordering kan tot een bedrag van €1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel worden toegewezen.
Namens verdachte is vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om verdachte te veroordelen ter zake van valsheid in geschrift. In het dossier zitten twee op elkaar gelijkende handtekeningen. Nu de handtekeningen niet onderzocht zijn door een handtekendeskundige kan niet met zekerheid gesteld worden dat de handtekeningen door twee verschillende personen zijn gezet, laat staan dat deze gezet zijn door verdachte.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd wordt weerlegd door de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, welke door het hof worden overgenomen. Het vrijspraakverweer wordt mitsdien verworpen.
Vordering [benadeelde partij]
De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 6.682,- aan materiële en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de gestolen bedragen middels de pinpas van [benadeelde partij] en de gestolen bedragen via de Optisch Leesbaar Overschrijvingsformulieren.
De politierechter heeft bij vonnis waarvan beroep de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep, gelet op het vrijspraak verweer, niet inhoudelijk betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,-. Dit is het bedrag dat middels de Optisch Leesbaar Overschrijvingsformulieren door verdachte is overgeschreven. Een deel van de bedragen die verdachte van de rekening van [benadeelde partij] heeft afgeschreven, heeft ze inmiddels aan [benadeelde partij] geretourneerd. Zo heeft [benadeelde partij] eerder bedragen van € 700,- en € 800,- van verdachte teruggekregen, waardoor een deel van de vordering wordt afgewezen.
Het hof is van oordeel dat voor de overige pintransacties onvoldoende vast is komen te staan dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het handelen van verdachte.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij welke tot op heden wordt begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,-. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierboven genoemde aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht:
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) bestaande uit
€ 1.000,00 (duizend euro) materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.000,00 (duizend euro) bestaande uit € 1.000,00 (duizend euro) materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. E.G.M. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 6 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. E.G.M. Smit zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.