Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 10 september 2019 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 7 januari 2020;
6.De beoordeling
€ 6.322,-
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De curator, namens de gefailleerde, vorderde terugbetaling van €100.000 die volgens hem contant was betaald voor een vrachtwagencombinatie. De koopovereenkomst was mondeling gesloten en er bestond discussie over de bewijslast en bewijswaardering van de betaling.
Het hof nam de feiten van de rechtbank over en beoordeelde de bewijsstukken, waaronder inkoopverklaringen, getuigenverklaringen en camerabeelden. De curator stelde dat de inkoopverklaring was vervalst en dat de betaling had plaatsgevonden, maar het hof oordeelde dat de curator de bewijslast droeg en onvoldoende bewijs had geleverd.
De camerabeelden toonden dat de gefailleerde geen tas droeg waarin contant geld kon zijn vervoerd. Verschillen in verklaringen en het ontbreken van bewijs voor de vermeende geldleningen ondermijnden de stelling van betaling. Ook werd het getuigenverhoor correct geacht ondanks afwezigheid van de gefailleerde en zijn advocaat.
Daarom stelde het hof vast dat de betaling niet was bewezen en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank dat de vordering afwees. De curator werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van de curator tot terugbetaling van €100.000,- wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.