De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de [beheerder] (het college) hebben op 9 juni 2017 vanwege de woon- en leefsituatie op [naam camping] aan de exploitante, [naam camping] , het voornemen kenbaar gemaakt om de camping te sluiten. Daarbij is aangegeven dat de sluiting op zijn vroegst op 4 augustus 2017 zal plaatsvinden en dat de bewoners, op dat moment in ieder geval de 535 in de gemeentelijke basisregistratie geregistreerde personen, in een jaar tijd gefaseerd herhuisvest zullen worden.
Op 22 juni 2017 heeft de exploitante bekend gemaakt dat de exploitatie van [naam camping] al op 3 juli 2017 gestaakt zal worden en dat iedereen op die dag na 12:00 uur het terrein verlaten dient te hebben en dat de water- en stroomvoorziening gestaakt zal worden.
Dit voornemen van de exploitante doorkruiste de herhuisvestingsplannen van de [beheerder] . Gevreesd werd dat niet tijdig adequate opvang geregeld zou kunnen worden voor een groot aantal hulpbehoevende bewoners. Dit vooruitzicht heeft geleid tot een bijeenkomst van het Regionaal Beleidsteam van de Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. Tijdens deze bijeenkomst heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant vastgesteld dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis. De voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft daarop het besluit genomen om op te schalen naar fase 4 van de
Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure (GRIP).
Om het gemeentelijke opvangplan veilig te stellen en een aanstaande crisis te voorkomen hebben de burgemeester en het college de camping per 23 juni 2017 gesloten en het beheer ervan overgenomen.
(…)
Met betrekking tot de stelling van de burgemeester dat het spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening zou ontbreken gelet op het feit dat verzoekers ook privaatrechtelijk de toegang tot het terrein is ontzegd door het college als beheerder van het terrein, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers ter zitting hebben aangegeven dat zij aan deze gebiedsontzeggingen geen waarde toekennen. Zij betwisten dat het college de bevoegdheid heeft om een eigenaar de toegang tot zijn eigendommen te ontzeggen. In de visie van verzoekers betekent schorsing van het bestreden besluit dan ook dat zij het terrein kunnen betreden. Het is dan eventueel aan de strafrechter om te beoordelen of sprake is van
huisvredebreuk, zoals door burgemeester is gesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderhavige procedure zich niet leent voor beantwoording van deze vraag. Het is niet aan de bestuursrechter, en al helemaal niet in haar hoedanigheid als voorzieningenrechter, om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een privaatrechtelijke ontzegging van de toegang.
(…)
De voorzieningenrechter herhaalt - wellicht ten overvloede - dat zij zich niet heeft
uitgesproken over de privaatrechtelijke ontzeggingen van de toegang tot het terrein door het college van burgemeester en wethouders van de [beheerder] . Deze uitspraak heeft uitsluitend tot gevolg dat het op grond van het publiekrecht door de burgemeester opgelegde gebiedsverbod ten aanzien van verzoekers wordt geschorst.