In deze strafzaak is door de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter waarin hij werd veroordeeld voor diefstal met een valse sleutel en vrijgesproken van poging diefstal. De advocaat-generaal vorderde niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het instellen van hoger beroep.
De raadsvrouw van verdachte stelde dat de schriftelijke volmacht om hoger beroep in te stellen op 5 april 2019 was gedateerd en dat het de wens van verdachte was om tijdig in hoger beroep te gaan. Desondanks werd de volmacht pas op 24 april 2019 bij de griffie ontvangen, na het verstrijken van de veertiendaagse termijn.
Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De eerdere veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf van 86 dagen bleef daarmee in stand.