Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de brief van mr. Reijnders en de bewindvoerder van 27 februari 2020;
- het V6-formulier van mr. Reijndens van 16 juli 2020 met een bijlage.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak was bij beschikking van 12 januari 2018 bewind ingesteld over de goederen van de rechthebbende vanwege zorgen over zijn situatie. De kantonrechter had een eerder verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen. De rechthebbende kwam hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat zijn thuissituatie was verbeterd, zijn schulden waren afgelost en hij in staat was zijn financiën zelfstandig te beheren.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf de bewindvoerder aan dat de situatie voorzichtig stabiel was, maar dat de moeder van de rechthebbende instabiel bleef en dat de rechthebbende impulsief aankopen deed. Desondanks erkende zij dat het hof de opheffing kon toestaan mits begeleiding door een jeugdzorgwerker werd voortgezet.
Het hof oordeelde dat de noodzaak tot bewind niet langer bestond, mede doordat de moeder langdurig in het buitenland verbleef, de schulden waren afgelost en de rechthebbende geen extra geld meer bij de bewindvoerder had aangevraagd. Met de voortzetting van begeleiding door een jeugdzorgwerker waren de resterende zorgen voldoende ondervangen. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en wees het verzoek tot opheffing van het bewind toe met ingang van 1 oktober 2020.
Uitkomst: Het hof heeft het verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toegewezen met ingang van 1 oktober 2020.