Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 3 september 2020 het vonnis van de rechtbank Limburg bekrachtigd waarin het verzoek van echtelieden tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.
De schuldenaren hadden een aanzienlijke schuldenlast, waaronder een preferente belastingschuld, en hadden het minnelijke traject niet succesvol afgerond. De rechtbank oordeelde dat niet aannemelijk was dat zij de verplichtingen van de regeling naar behoren zouden nakomen en dat zij niet te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
In hoger beroep voerden de schuldenaren aan dat hun psychosociale problemen grotendeels waren opgelost en dat zij actief bezig waren met het zoeken naar werk. Het hof stelde echter vast dat onvoldoende bewijs was geleverd dat de schuldenaren te goeder trouw waren bij het ontstaan van de schulden, mede vanwege het ontbreken van jaarstukken en verificatoire bescheiden.
Ook was niet aangetoond dat de psychosociale problemen beheersbaar waren, zoals vereist, en dat zij de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zouden kunnen nakomen. Het hof concludeerde dat toelating tot de regeling prematuur zou zijn en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.