Verdachte is sinds december 2018 in voorlopige hechtenis gesteld wegens medeplegen van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een pistool. De rechtbank had eerder verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen, hoewel erkend werd dat de duur onwenselijk lang was.
Het hof heeft het dossier bestudeerd en oordeelt dat er voldoende ernstige bezwaren zijn tegen verdachte. Het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen.
Desondanks acht het hof de voortzetting van de voorlopige hechtenis onwenselijk vanwege de lange duur en schorst het de voorlopige hechtenis met ingang van een nader te bepalen datum tot aan de uitspraak in eerste aanleg. Hierbij stelt het hof voorwaarden aan verdachte, waaronder het zich houden aan oproepingen en het niet plegen van strafbare feiten.
Deze beslissing balanceert tussen de ernst van de beschuldigingen en de waarborging van de rechten van verdachte, waarbij het belang van een redelijke duur van voorlopige hechtenis wordt benadrukt.