Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
i)Partijen zijn op 15 juni 1990 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.
4.De omvang van het geschil
primair:
subsidiairde woning onverdeeld te laten voor de duur van vijf jaar dan wel een door het hof te bepalen termijn;
5.De motivering van de beslissing
rechtbankals volgt overwogen:
manvoert hiertegen, samengevat, het volgende aan.
- voor hypotheekrente: € 10.449,12;
- voor hypotheekaflossing: € 8.494,86;
- aan DNV: € 12.100,--, waarvan € 5.059,20 voor aflossing;
- voor aflossing schuld aan de heer [derde] : € 2.500,--.
vrouwvoert daartegen het volgende aan.
manis in de gelegenheid gesteld zich na de mondelinge behandeling nader uit te laten over zijn mogelijkheden de woning te financieren. De man heeft hieraan gevolg gegeven bij voormeld journaalbericht van 11 augustus 2020 met prod. 33 t/m 38. Hieruit blijkt het volgende.
hofoverweegt als volgt.
primairtoedeling van de woning aan hem, tegen een waarde van € 190.000,--, zonder ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Van de vrouw kan evenwel niet in redelijkheid worden verlangd hoofdelijk aansprakelijk te blijven voor schulden, waarvoor hypotheek is verstrekt op een zaak die niet (deels) haar eigendom is en waarop zij geen invloed kan uitoefenen waar het gaat om waardebehoud. Het hof zal het primaire verzoek van de man dan ook afwijzen.
ten hoogste driejaren een vordering tot verdeling uitsluiten. Deze bepaling staat in de weg aan toewijzing van het verzoek van de man om op grond van de redelijkheid en billijkheid de woning thans voor de duur van
vijfjaar onverdeeld te laten, mede in het licht van het feit dat de wettelijke termijn van ten hoogste drie jaren indien daartoe gronden zijn voor verlenging (met eenzelfde termijn van drie jaren) in aanmerking komt.
manstelt dat hij uit hoofde van afbetaling van de lening bij de heer [derde] een regresvordering heeft op de vrouw ten bedrage van € 1.250,--. De man verzoekt het hof de hoogte van deze regresvordering bij beschikking vast te leggen.
vrouwvoert daartegen aan dat zij van haar kant een regresvordering heeft op de man omdat zij de schuld bij CZ van € 999,02 volledig heeft voldaan. Ten aanzien van de in het beroepschrift gestelde regresvordering betreffende de schuld aan de Belastingdienst van € 3.705,--, is zijdens de vrouw ter gelegenheid van de mondelinge behandeling erkend dat ter zake daarvan geen regresvordering bestaat.
hofoverweegt als volgt.