Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[minderjarige](hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind, geboren in 2008. De ondertoezichtstelling was reeds sinds december 2016 van kracht en werd telkens verlengd door de rechtbank. De moeder betwistte dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en voerde aan dat haar zoon zich leeftijdsadequaat ontwikkelt, ondanks het ontbreken van contact met de vader.
De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, identiteitsontwikkeling en autonomie. De GI benadrukte dat het kind weerstand biedt tegen contact met de vader en dat de moeder onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling en het onderzoek.
Het hof oordeelde dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan en dat de bedreigingen nog steeds aanwezig zijn. Het belang van het lopende NIFP-onderzoek werd benadrukt om de oorzaken van de weerstand van de minderjarige te achterhalen en passende hulp te bieden. De moeder werkte niet voldoende mee aan dit onderzoek, waardoor het hof onvoldoende vertrouwen had dat de ontwikkelingsbedreigingen zonder gedwongen kader kunnen worden weggenomen.
Daarom werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en de verlenging van de ondertoezichtstelling gehandhaafd tot 20 november 2020.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 20 november 2020.