ECLI:NL:GHSHE:2020:2953
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming
Appellante verzocht de rechtbank om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een aanzienlijke schuldenlast, waaronder preferente belastingschulden en terugvorderingsschulden aan het UWV en CJIB. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, noch dat zij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zou nakomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar houding had gewijzigd door actief te solliciteren en dat haar eerdere niet-saneringsgezinde gedrag het gevolg was van verkeerde advisering. Zij beloofde ontbrekende financiële stukken alsnog aan te leveren en stelde een beroep te doen op de hardheidsclausule. De beschermingsbewindvoerder bevestigde dat appellante bereid is haar schulden aan te pakken, maar dat zij ondersteuning nodig heeft.
Het hof oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde van goede trouw, mede door het ontbreken van jaarstukken en het karakter van bepaalde schulden (zoals boetes). Ook was haar saneringsgezinde houding onvoldoende, gezien het late begin van sollicitaties en het verzoek om vrijstelling van sollicitatieplicht zonder arbeidsongeschiktheid. De psychosociale problematiek was nog niet beheersbaar en de regeling is niet gericht op hulpverlening. Het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan en er geen duurzame gedragswijziging was.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende bewijs van goede trouw en twijfel over nakoming van verplichtingen.