Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[minderjarige 1](hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , en
[minderjarige 2](hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen bij de vader werd verleend en een tijdelijke omgangsontzegging met de moeder werd vastgesteld.
De moeder betwistte de uithuisplaatsing en de omgangsontzegging, stellende dat er onvoldoende onderzoek was gedaan en dat mildere maatregelen mogelijk waren. De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was voor de verzorging en opvoeding van de kinderen, met name vanwege het ontbreken van emotionele ruimte bij de moeder om contact met de vader toe te laten.
Het hof overweegt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de oudste minderjarige is komen te vervallen doordat de GI deze niet heeft uitgevoerd. Voor de jongste minderjarige wordt de uithuisplaatsing bekrachtigd omdat voldaan is aan de wettelijke vereisten en het in het belang van het kind is. De tijdelijke ontzegging van omgang met de moeder wordt vernietigd omdat er inmiddels wel contact is en het hof het aan de GI overlaat om de omgang verder vorm te geven.
De beschikking van de rechtbank wordt aldus deels bekrachtigd en deels vernietigd, waarbij het verzoek van de GI tot schorsing van de omgang alsnog wordt afgewezen.
Uitkomst: De uithuisplaatsing van de jongste minderjarige wordt bekrachtigd en de tijdelijke omgangsontzegging met de moeder wordt vernietigd.