Uitspraak
thans wonende te [woonplaats] ,
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de ouders, bijgestaan door mr. Engwegen;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] ;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] ;
- de ouders, bijgestaan door mr. Engwegen;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 20 juli 2020;
- de tijdens de mondelinge behandeling door de GI overgelegde pleitnota.
3.De beoordeling (in beide zaken)
- voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
21 mei tot 23 oktober 2020. De beslissing is voor het overige aangehouden. De rechtbank overweegt daarbij dat de ouders in de tussentijd een geschikte woning dienen te regelen en dat er voorafgaand aan de nadere mondelinge behandeling een evaluatie van de samenwerking van de ouders met de gezinsvoogd dient plaats te vinden. Aan de raad, in samenwerking met de GI, wordt verzocht om uiterlijk een week voorafgaand aan de nadere mondelinge behandeling in oktober 2020 een verslag in te dienen over het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Verder is aan de GI verzocht om een onderbouwd plan in te dienen betreffende de toekomst van [minderjarige] na haar achttiende jaar.
De ouders ervaren wel een goede samenwerking met de school van [minderjarige] . De school zal in overleg met de ouders en [minderjarige] bekijken welke mogelijkheden er gelet op de beperkingen van [minderjarige] zijn.
4.De beslissing
4 maart 2020 en van 20 mei 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;