Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Het hof beschikt evenmin over de stukken ten aanzien van de afgekochte verzekeringspolis van Aegon/Koersplan (datum; ontvangen bedrag; brief van Aegon etc), over de (kennelijk op papier gezette) verantwoording van [geïntimeerde] van zijn met het geld van de verzekeringspolis gedane uitgaven zoals die getoond is aan de rechter-commissaris op 28 februari 2018 – [appellante] rept van een ‘excel-sheet’- en over stukken met betrekking tot het al dan niet bestaan van een vordering van [schuldeiser] van € 733,11, die tijdens de looptijd van de schuldsanering zou zijn ontstaan .
Een rechter, in dit geval het hof, heeft uit hoofde van artikel 350 Fw Pro immers een ambtshalve bevoegdheid om een wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de rechter ambtshalve over informatie beschikt die aanleiding geeft tot een tussentijdse beëindiging. In dit geval zou de omstandigheid – door [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep erkend – dat het afkopen van de verzekeringspolis ten tijde van de toelatingszitting niet bekend was c.q. dat de rechter zich niet eerder heeft kunnen buigen over de besteding van de afkoopsom voorafgaand aan de toelating, een dergelijk ambtshalve bekend geworden feit kunnen zijn. In dat geval ligt vervolgens een toetsing door een rechter voor de hand, uiteraard met inachtneming van alle relevante omstandigheden, en dat is nog niet gebeurd.
4.De uitspraak
donderdag 12 november 2020;