Uitspraak
8.Het verdere verloop van de procedure
- de akte na tussenarrest met producties aan de zijde van de curator;
- de antwoordakte aan de zijde van Destion.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure stond centraal de vraag of een bedrag dat Destion na de faillissementsdatum aan een onderaannemer betaalde, kon worden verrekend met een vordering van de curator in het faillissement van HKM Realisatie B.V. Het hof oordeelde dat de vordering voortvloeit uit een rechtsverhouding die reeds bestond op de datum van het faillissement, zoals bedoeld in artikel 53 lid 1 van Pro de Faillissementswet.
Destion baseerde haar beroep op verrekening op een garantstelling binnen een set afspraken uit 2013 en op de ontbinding van de aanneemovereenkomst, waarbij zij zich beriep op artikel 14 lid 2 van Pro die overeenkomst. Het hof stelde vast dat de ontbinding rechtsgeldig was, ondanks het ontbreken van een aangetekende brief, omdat de curator de ontbindingsverklaring wel had ontvangen en de curator zich niet binnen de gestelde termijn bereid had verklaard de overeenkomst na te komen.
De curator voerde onder meer aan dat de ontbinding niet rechtsgeldig was omdat deze niet aangetekend was geschied en dat de overeenkomst niet ontbonden kon worden wegens verjaring. Het hof verwierp deze verweren en volgde het betoog van Destion. Het hoger beroep van de curator werd afgewezen en het vonnis van de rechtbank Limburg bekrachtigd. De curator werd veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de curator af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg.