In deze civiele zaak in hoger beroep staat de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind centraal. De rechtbank Limburg had eerder bepaald dat de omgang voorlopig onder begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR-regeling) zou plaatsvinden en dat de moeder de vader maandelijks per e-mail over de ontwikkeling van het kind zou informeren. De moeder ging tegen deze beschikking in hoger beroep en verzocht onder meer het omgangsrecht te ontzeggen vanwege vermoedens van seksueel misbruik en haar beperkte draagkracht.
Het hof heeft de feiten en standpunten van partijen zorgvuldig gewogen. De moeder voert aan dat het contactherstel schadelijk is voor het kind en dat zij emotioneel niet in staat is om contact toe te staan. De vader ontkent de beschuldigingen en stelt dat hij zijn leven op orde heeft, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming het BOR-traject aanbeveelt om het contact te herstellen. Het hof concludeert dat er geen aanwijzingen zijn voor seksueel misbruik en dat het belang van het kind is gediend met contactherstel onder professionele begeleiding.
Het hof benadrukt dat het negatieve vaderbeeld van het kind schadelijk is voor haar ontwikkeling en dat het BOR-traject haar de mogelijkheid biedt een eigen beeld van haar vader te vormen. De moeder wordt aangespoord hulp te zoeken voor haar blokkades. De informatieplicht van de moeder aan de vader blijft onverminderd van kracht, waarbij ondersteuning wordt geboden door de advocaten van partijen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.