Partijen zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen met een co-ouderschapsregeling waarbij het hoofdverblijf van het ene kind bij de vrouw en van het andere bij de man is vastgesteld. De rechtbank had bepaald dat de vrouw kinderalimentatie aan de man moest betalen en partneralimentatie was afgewezen.
In hoger beroep betwist de vrouw de kinderalimentatieplicht en stelt zij dat de man kinderalimentatie aan haar moet betalen. De man vordert partneralimentatie en verhoogde kinderalimentatie van de vrouw. Het hof beoordeelt de draagkracht van beide partijen aan de hand van feitelijke inkomens en houdt rekening met zorgkorting en kindgebonden budgetten.
Het hof concludeert dat de draagkracht van partijen gezamenlijk onvoldoende is om de kosten van de kinderen volledig te dekken, waardoor zij ieder hun volledige draagkracht moeten inzetten. Voor de periode tot 1 september 2019 is de kinderalimentatie van de vrouw aan de man nihil. Voor latere perioden worden bedragen vastgesteld waarbij wederzijdse kinderalimentatie wordt toegewezen. De partneralimentatie aan de man wordt afgewezen omdat zijn verminderde werkweek een eigen keuze is.
De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd en de beschikking van de rechtbank wordt op onderdelen vernietigd en herzien.