De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag en toekenning van eenhoofdig gezag aan haar had afgewezen. De kinderen wonen bij de moeder in Nederland, terwijl de vader in Ierland verblijft en nauwelijks contact onderhoudt, vooral met de oudste dochter niet meer.
De moeder voert aan dat zij feitelijk het gezag alleen uitoefent en dat de vader niet betrokken is bij belangrijke beslissingen, zoals schoolkeuze en medische onderzoeken. Door het ontbreken van communicatie en medewerking van de vader ontstaan belemmeringen voor de moeder, zoals vertragingen bij onderzoeken en toestemming voor reizen. De moeder vreest zelfs internationale kinderontvoering.
De Raad voor de Kinderbescherming constateert dat het contact tussen vader en kinderen beperkt is en dat de vader snel opgeeft bij afwijzing door de kinderen. Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, dat sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat het belang van de kinderen eenhoofdig gezag bij de moeder vereist. Het gezag van de vader wordt beëindigd, maar het contact tussen vader en kinderen blijft mogelijk via omgang.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de moeder toe. De proceskosten worden gecompenseerd en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.