De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die haar vier minderjarige kinderen onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar. De moeder betwistte de noodzaak van de ondertoezichtstelling en stelde dat de situatie thuis veilig is en de kinderen het goed maken.
Tijdens de mondelinge behandeling werden de moeder, de raad, de gecertificeerde instelling en een gezinscoach gehoord. De gezinscoach bevestigde dat het gezin vooruitgang boekt, maar dat er nog werk aan de winkel is, met name op het gebied van opvoedvaardigheden en betrokkenheid bij school. De gecertificeerde instelling constateerde geen zorgen in de thuissituatie maar wel op school en adviseerde voortzetting van hulpverlening onder toezicht.
Het hof oordeelde dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling nog steeds zijn vervuld. Er is sprake van ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen, met name door zorgen over hun emotionele en fysieke veiligheid, leerachterstanden en gedragsproblemen. De moeder toont beperkt probleeminzicht en de hulpverlening is nog pril. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om continuïteit en controle van de hulpverlening te waarborgen.
Daarom werd de beschikking van de rechtbank Limburg bekrachtigd. Het hof benadrukte het belang van voortzetting van de hulpverlening en het toezicht om de positieve ontwikkeling van de kinderen te ondersteunen en verdere bedreigingen te voorkomen.