Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/261638 / KG ZA 19/114)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- het tegen [geïntimeerden] verleende verstek;
- de memorie van grieven met productie;
- de zuivering van het verstek;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi van 8 januari 2020, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 18 december 2019 door mr. De Boer toegezonden producties 1 t/m 14, die hij bij pleidooi in het geding heeft gebracht;
- de bij brief van 3 januari 2020 door mr. Pfeil toegezonden producties 19, die hij bij pleidooi in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
In geval van een inhoudelijke beoordeling van het verzoek zou de kantonrechter, ten overvloede overwegend, toch ook nog niet zijn toegekomen aan vaststelling van de beslagvrije voet zoals door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verzocht. Immers, bij de berekening van de beslagvrije voet (bijlage 28 bij verzoekschrift) zijn [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] uitgegaan van een netto-verzamelinkomen van € 1.557,19. [appellante] heeft echter de juistheid van (de hoogte van) dat inkomen gemotiveerd betwist, concrete vragen opgeworpen (er zou nog een Oranje Spaarrekening zijn, er zou premie zijn betaald voor een Zwitsers pensioen, er zou een tweede bankrekening zijn bij de ING Bank, etc., zie pleitnotitie). Verzoekers hebben geen aanvullende bewijsstukken overgelegd waaruit daadwerkelijk blijkt dat er niet meer inkomen en/of vermogen is dan zoals opgegeven in de berekening, en waaruit blijkt dat de kritiek en de vragen van [appellante] elke relevantie ontberen. Verzoekers zullen bij juridische vervolgstappen echt nog iets moeten doen met die kritiek en die vragen van [appellante] , is de inschatting van de kantonrechter. (…)“
Vanmiddag (…) ben ik samen met mijn collega (…) onaangekondigd naar het adres [adres 1] (…) gegaan. (…) Wij bellen aan (…) geen gehoor. Aangebeld bij nr [adres 2] . Gezegd dat wij in de buurt zijn omdat wij de familie op [adres 1] willen bezoeken maar dat er geen gehoor komt. Gezien de situatie zouden we bijna verwachten dat de buurman zou zeggen dat er bijna nooit iemand is. De buurman merkt echter op, ik kijk wel even of ze er zijn en hij laat de intercom open. Even later komt hij terug en zegt dat ze gewoon thuis zijn. (…) Het huis is geheel ingericht. Wij hebben gevraagd om in de koelkast te mogen kijken en daar staat een voorraad eten, zoals beleg, tomaten, boter, frisdrank etc. Op de aanrecht staat een plateau met kruiden voor bereiding van de warme maaltijd. De kasten zijn ingericht met servies, potten en pannen etc.
De vorderingen in reconventie heeft de voorzieningenrechter afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang.
Verder hebben twee gemeenteambtenaren inmiddels verklaard dat zij ervan overtuigd zijn dat [geïntimeerden] wonen in [woonplaats] op de [adres 1] , nadat zij daar op bezoek waren geweest en de woonkamer, keuken met koelkast, badkamer en slaapkamer met kledingkast hadden geïnspecteerd (rov. 3.1.10.). Dit feit heeft zich voorgedaan na de twee eerdere procedures en is daarmee een nieuw gegeven. Grief 1 faalt.
Indien de beslagvrije voet niet (juist) wordt toegepast door de deurwaarder, kan de beslagene een executiegeschil of executie-kort geding te entameren (artikel 438 lid 2 Rv Pro) om de toepassing door de deurwaarder te laten toetsen.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter ten onrechte de beslagvrije voet heeft vastgesteld. Grief 6 slaagt.
De aangifte inkomstenbelasting 2017 die [geïntimeerden] hebben ingebracht is naar het oordeel van het hof onvoldoende nu dit slechts een aangifte betreft die bovendien geen betrekking heeft op het inkomen over 2018, of 2019 of ziet op de huidige inkomsten. Het feit dat een toevoeging is verstrekt is eveneens onvoldoende nu de daarop vermelde inkomensgegevens eveneens het jaar 2017 betreffen en de vermelde inkomensgegevens van [geïntimeerde 2] niet door de belastingdienst zijn vastgesteld.
De stelling van [geïntimeerden] dat de bijdrage van € 880,- eenmalig was en een storting op eigen rekening betrof, hadden zij door bijvoorbeeld overlegging van (het desbetreffende) bankafschrift(en) aannemelijk kunnen maken, hetgeen zij hebben nagelaten.
Vragen van het hof ter zitting in hoger beroep hebben evenmin tot enige opheldering geleid nu [geïntimeerde 1] zich weinig tot niets zei te kunnen herinneren en [geïntimeerde 2] wegens ziekte afwezig was.
Grief 7 faalt.