Uitspraak
In dit verband stelt het hof eveneens vast dat de vernietiging heeft plaatsgevonden nadat het NFI deze stukken tape had onderzocht en daarover had gerapporteerd. Deze vernietiging heeft gevolgen gehad voor het door de verdediging verzochte souche-tegenonderzoek van deskundige L.J. Marsh d.d. 9 januari 2020, dat door de vernietiging niet hernieuwd kon worden uitgevoerd. De deskundige Marsh heeft het door het NFI verrichte onderzoek beoordeeld aan de hand van de verslaglegging in het daarvan opgemaakte rapport inclusief laboratoriumformulieren, kleurenafbeeldingen en diagrammen. Hoewel zij daarbij enkele kanttekeningen plaatst, komt zij niet tot de conclusie dat in het onderzoek van het NFI sprake is geweest van grove inschattingsfouten of dat de bevindingen de conclusies niet kunnen dragen. Integendeel, zij komt tot de bevindingen dat er sprake is van een gedegen onderzoek, zoals uit het hierna daaromtrent opgenomen bewijsmiddel blijkt.
geenbewijsstukken ontvangen.
- Een rapport van 20 pagina's, getiteld 'formulier voor souche-onderzoek van de tape', onderzoeker R.P. Visser, datum van ontvangst 23 augustus 2013. Dit rapport bevat laboratoriumformulieren, kleurenafbeeldingen en/of diagrammen van de volgende items:
- Een fysieke pasvorm tussen uiteinde 'B' van tape AAEY6500NL en uiteinde 'E' van een van de tapes in AAEY6502NL werd inderdaad aangetoond in de verstrekte afbeeldingen.
Als zodanig is er overtuigende steun voor de stelling dat deze tapes ooit waren samengevoegd.
Die mogelijkheid is evenwel niet expliciet vastgelegd in ons rapport. (…) Ik weet dat deze mogelijkheid, de factor dat mogelijk sprake was van indirecte overdracht, wel is meegenomen, omdat ik dat heb teruggelezen in aantekeningen. Het alternatief scenario is dus wel degelijk meegenomen door het NFI in het verrichte onderzoek. Waar het in de kern op neerkomt is dat er sprake was van de aanwezigheid van speeksel, een grote hoeveelheid DNA en tandafdrukken die op de plaats van het afbijten op de tape waren aangetroffen.
De kans, zeker bij een combinatie van die drie elementen, is dan vrij groot dat die afdrukken door tanden zijn gemaakt. Bij een alternatief scenario met indirecte overdracht van speeksel, in combinatie met de aanwezigheid van tandafdrukken, is die kans vrij klein.
(…) De kans op vals-positieven is in zijn algemeenheid overigens vrij klein. Dit volgt uit wetenschappelijke validatiestudies in laboratoria. Het klopt dat al die mogelijke vals-positieve gevallen zijn meegenomen in het NFI onderzoek en dat er vervolgens conclusies zijn getrokken.
Dan kun je de conclusie trekken dat waarschijnlijk sprake is van een bijtspoor. Dat kan dan beter dan in het hypothetische geval dat je één bijtpunt ziet.
Bovendien staat volgens de raadsman niet onomstotelijk vast dat speeksel op de tape is aangetroffen en is de kwalificatie dat op die tape sprake zou zijn van een bijtspoor ook zeer arbitrair. Dat maakt dat het DNA-spoor van de verdachte op de tape een biologisch contactspoor kan zijn, waarbij indirecte overdracht een grote rol speelt. Aldus kan niet worden gezegd dat het handelt om een delictgerelateerd spoor.
Hoewel een rol ducttape op zichzelf beschouwd een verplaatsbaar object is, acht het hof het ondenkbaar dat de betreffende rol tape eerst is afgewikkeld, dat toen het DNA van de verdachte op onschuldige wijze daarop terecht is gekomen, de tape toen op de rol is terug gewikkeld, vervolgens door de overvallers is meegenomen (bijvoorbeeld na deze uit de auto van de verdachte te hebben ontvreemd, zoals de verdachte suggereert) en in de woning van het slachtoffer is achtergelaten. Helemaal ondenkbaar is dat het via deze indirecte overdracht aangetroffen DNA van de verdachte zich dan toevallig ook nog zou bevinden op twee uiteinden van een door de overvallers achtergelaten stuk tape, onder andere op een plek waar door de onderzoekers van het NFI, op basis van hun ervaring, gezien de vorm (vrijwel de hele gebitsboog), de plaats van aantreffen (bij de scheuring van de tape) en de grote hoeveelheid DNA van de verdachte in het speeksel ter plaatse, naar alle waarschijnlijkheid tandafdrukken zijn waargenomen (AAEY6501#01). Dr. B. Kokshoorn heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat gelet op de aanwezigheid van (1) speeksel, (2) een grote hoeveelheid DNA en (3) tandafdrukken die op die plaats van de tape zijn aangetroffen, de kans vrij groot is dat die afdrukken daadwerkelijk door tanden zijn gemaakt, zeker bij een combinatie van die drie elementen. Bij een alternatief scenario met indirecte overdracht van speeksel, in combinatie met de aanwezigheid van tandafdrukken, is die kans vrij klein.
Gelet op het voorgaande beschouwt het hof het aangetroffen DNA van de verdachte op het stuk tape, anders dan de verdediging, wel degelijk als delictgerelateerd. De in dit verband nog door de raadsman aangehaalde uitspraken zijn niet te vergelijken met de onderhavige zaak, nu het in die casus handelde over mengprofielen en in deze zaak over enkelvoudige profielen. Voorts is in casu – in tegenstelling tot de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie – sprake van een grote hoeveelheid DNA. Die jurisprudentie dwingt het hof derhalve reeds daarom niet tot een ander oordeel.
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de erven van het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 44 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jarenen
10 (tien) maanden;
€ 3.477,00 (zegge: drieduizend vierhonderdzevenenzeventig euro)als vergoeding van materiële en immateriële schade, waarvoor de verdachte met zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente 20 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 3.477,00 (zegge: drieduizend vierhonderdzevenenzeventig euro)aan materiële en immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 44 (vierenveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de erven van het slachtoffer niet opheft;