De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank die de zorgregeling tussen hem en de moeder wijzigde. De kinderen, geboren in 2005 en 2009, staan onder toezicht van een gecertificeerde instelling sinds september 2018. De vader verzoekt om een zorgregeling waarbij hij doordeweeks meer contact met de kinderen heeft, mede vanwege zijn onregelmatige werk als muzikant en geluidstechnicus.
De moeder en de gecertificeerde instelling verzetten zich tegen wijziging van de huidige regeling, die voorziet in contact in het weekend en de helft van de vakanties, omdat deze rust en duidelijkheid biedt aan de kinderen. De raad voor de kinderbescherming adviseert eveneens de weekendregeling in stand te houden vanwege de behoefte van de kinderen aan stabiliteit en minimale wisselmomenten.
Het hof oordeelt dat de vader ontvankelijk is in zijn beroep, maar dat de belangen van de kinderen vooropstaan. De huidige weekendregeling wordt als passend en in het belang van de kinderen beschouwd. De vader heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn werk hem belemmert om buiten de omgangsweekenden inkomen te genereren. Het vaste contactmoment op woensdag wordt aangepast naar incidentele afspraken op doordeweekse dagen, afhankelijk van de behoefte van de kinderen.
De zorgregeling wordt gewijzigd door de beschikking van 2018 te herstellen met enkele aanpassingen: de kinderen verblijven eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot maandag bij de vader, die hen op school ophaalt en terugbrengt, en hebben daarnaast incidenteel contact op doordeweekse dagen. De helft van de vakanties en feestdagen wordt verdeeld in onderling overleg. De beschikking van de rechtbank van 14 oktober 2019 wordt vernietigd.