In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 september 2020 vernietigd, waarbij appellante in staat van faillissement was verklaard. Het faillissement was aangevraagd door geïntimeerde wegens een onbetaalde vordering uit hoofde van deelname aan een beurs.
Appellante voerde aan dat de medewerker die de inschrijving had gedaan hiertoe niet bevoegd was en dat zij niet in staat van faillissement verkeerde omdat zij bereid was eventuele steunvorderingen te voldoen. Tijdens het hoger beroep bereikten partijen een regeling waarbij geïntimeerde zich niet langer verzette tegen de vernietiging van het faillissement en een bedrag van € 5.500,- ontving.
De curator rapporteerde over preferente vorderingen van de Belastingdienst en aanwezige boedelactiva, waaronder een bedrag op de derdenrekening dat toereikend is voor betaling van alle openstaande schulden en boedelkosten. Het hof oordeelde dat appellante niet langer in staat van faillissement verkeert en vernietigde het vonnis, waarbij de boedelkosten van € 8.284,22 ten laste van appellante worden gebracht en ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.