In deze zaak staat centraal of bij toetreding van de zoon tot de maatschap in 2010 is afgesproken dat de bomen aangeplant vóór 28 april 2005 buiten het maatschapsvermogen zouden blijven. De ouders stelden dat zij met de zoon in 2005 een dergelijke afspraak hadden gemaakt, maar het hof concludeert na bewijswaardering dat deze afspraak niet is nagekomen of bevestigd bij toetreding.
De ouders hebben zichzelf en meerdere getuigen gehoord, evenals de zoon, die ook getuigen heeft opgeroepen. Uit de verklaringen blijkt dat er in 2005 wel een gesprek was over mogelijke overname en gezamenlijke aanplant na aankoop van grond, maar dat daadwerkelijke toetreding pas in 2010 plaatsvond. De verklaringen over afspraken voorafgaand aan toetreding lopen uiteen, en het concept-maatschapscontract vermeldt niets over het buiten de maatschap houden van de grote bomen.
Het hof weegt mee dat de vader heeft besloten de zoon te laten meedelen in de opbrengst van de grote bomen, hetgeen niet strookt met de gestelde afspraak uit 2005. Ook is geen bewijs dat de zoon bij toetreding moest begrijpen dat de oude bomen niet tot het maatschapsvermogen behoorden. De verklaringen over latere gesprekken over de bomenopstand zijn onvoldoende om de stelling van de ouders te ondersteunen.
Gelet hierop oordeelt het hof dat niet is bewezen dat de bomenopstand van vóór 28 april 2005 buiten het maatschapsvermogen is gehouden. Het hoger beroep faalt en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. De proceskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.