Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter waarin de moeder werd veroordeeld tot nakoming van een omgangsregeling met haar kind, vastgesteld op 5 november 2019. De vader vorderde nakoming onder verbeurte van een dwangsom, terwijl de moeder verzocht om opschorting van deze regeling wegens escalaties en zorgen over het welzijn van het kind.
De omgangsregeling was eerder vastgesteld door de rechtbank en voorzag in contactmomenten, waaronder begeleiding bij zwemlessen en omgang tijdens vakanties. De moeder stelde dat de spanningen tussen haar en de vader schadelijk waren voor het kind en dat de verzorging bij de vader onvoldoende was, wat opschorting zou rechtvaardigen.
Het hof oordeelde dat de moeder ontvankelijk was en dat een omgangsregeling in principe volledig nageleefd moet worden, tenzij zwaarwegende omstandigheden dit redelijkerwijs onmogelijk maken. De moeder had onvoldoende concrete feiten aangevoerd om opschorting te rechtvaardigen. De Raad voor de Kinderbescherming zag geen contra-indicaties voor uitbreiding van de omgang.
Uiteindelijk vernietigde het hof het vonnis van 5 juni 2020 met ingang van 26 november 2020, omdat het hof bij beschikking van die datum de beschikking van 5 november 2019 had gewijzigd. Hierdoor had de vader geen belang meer bij nakoming van de oude regeling en werd de vordering van de vader afgewezen. De omgangsregeling werd aangepast met het oog op het belang van het kind en de situatie tussen de ouders.