Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
,te vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende, de partneralimentatie alsnog te bepalen op € 2.213,- bruto per maand.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen zijn in 1993 gehuwd en zijn bij beschikking van 21 januari 2019 gescheiden. De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van een partneralimentatie van €163,- per maand en geweigerd deze na drie jaar op nihil te stellen. Zowel vrouw als man gingen in hoger beroep met geschilpunten over de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw.
De man stelde dat de vrouw samenwoonde met een ander als ware zij gehuwd, waardoor de onderhoudsverplichting zou eindigen. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een duurzame affectieve relatie met wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding, zodat het beroep op artikel 1:160 BW Pro faalde.
De vrouw had een beperkte verdiencapaciteit wegens gezondheidsproblemen en kon niet worden geacht zelf in haar volledige levensonderhoud te voorzien. De man had gesteld dat hij geen draagkracht had vanwege verkoop van zijn onderneming en gezondheidsklachten, maar het hof vond dat hij onvoldoende had onderbouwd dat de verkoop noodzakelijk was en ging uit van een gemiddelde winst uit onderneming van circa €35.759,-. Na aftrek van draagkrachtloze kosten resteerde een draagkracht van €1.137,- per maand. Het hof stelde de partneralimentatie daarop vast en wees het verzoek van de man tot nihilstelling af.
Uitkomst: Het hof stelt de partneralimentatie vast op €1.137,- per maand vanaf 21 januari 2019 en wijst het beroep op beëindiging alimentatie wegens samenwonen af.