Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank die haar minderjarige kind onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling (GI). De ondertoezichtstelling was aanvankelijk voor een korte periode, maar werd verlengd tot 15 januari 2021. De moeder betwistte de noodzaak van de ondertoezichtstelling en stelde dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging was.
Tijdens de mondelinge behandeling werden de moeder, de vader, de GI en de raad gehoord. De minderjarige maakte haar mening kenbaar via een brief en een gesprek met het hof. De moeder erkende dat hulp nodig was, maar stelde dat de hulpverlening niet adequaat was en dat eerst een diagnose moest worden gesteld. De GI en de raad benadrukten dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk bleef vanwege de complexe problematiek van de minderjarige en het ontbreken van voldoende vrijwillige hulp.
Het hof oordeelde dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging door onder meer Development Coordination Disorder en sociaal-emotionele problematiek. De moeder kan de noodzakelijke sturende opvoeding niet bieden en de relatie tussen moeder en kind is verstoord. De uithuisplaatsing in een gezinshuis heeft positief uitgewerkt. Gezien de complexiteit en eerdere onvoldoende resultaten van hulpverlening is de ondertoezichtstelling gerechtvaardigd en wordt de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 15 januari 2021 wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging.